De avond werd geopend met een hartelijk welkom aan Bettine Vriesekoop, voormalig tafeltennisster van de eeuw en drievoudig Olympiër. De voorzitter merkte op dat Vriesekoop “als geroepen” kwam. Na eerdere zware lezingen over de deprimerende invloed van Big Tech en de verschrikkingen van een wereldoorlog, was de zaal toe aan wat de kop van een recent interview met Vriesekoop beloofde: geestelijke kalmte. Hoewel zij voor velen bekend staat als topsportster, richtte deze avond zich op haar latere paden: haar studie Sinologie, haar werk als journalist in China en haar diepe verbondenheid met de Chinese filosofie.

Chinese wijsheid in een balletje

De kloof en de verbinding met China
Vriesekoop begon haar betoog door de zaal te betrekken bij haar ervaringen in China. Twee aanwezigen deelden hun indrukken van het land, waarbij de enorme kloof tussen extreme luxe en schrijnende armoede werd benoemd. Vriesekoop nuanceerde dit door te wijzen op de enorme sociaaleconomische ontwikkeling; China heeft honderden miljoenen mensen uit de armoede getrokken.

Zij benadrukte dat haar band met China complex is. Hoewel zij als journalist ook de schaduwkanten heeft gezien, heeft het land haar gevormd. “Als je je verdiept in andere culturen, krijg je een ander zicht op jezelf,” aldus Vriesekoop. Haar sportieve successen heeft zij te danken aan de Chinese trainingsdiscipline, maar haar persoonlijke groei aan de Chinese wijsheid.

De kern: Taoïsme versus Confucianisme
De lezing draaide om haar tiende boek, waarin zij de Chinese filosofie koppelt aan de dynamiek van het tafeltennisballetje. Zij legde het fundamentele verschil uit tussen de twee belangrijkste stromingen in China:

  1. Het Confucianisme: Dit gaat over de maatschappelijke orde, hiërarchie en moraliteit. Een kernbegrip hierbij is ‘Ren Xin’ (wederkerigheid). Het is de leer van het “netjes binnen de lijntjes kleuren”.
  2. Het Taoïsme: Dit is de leer van de natuur en de innerlijke weg. Waar de confuciaan de regels volgt, zoekt de taoïst de “achterdeur” en volgt zijn eigen natuur. Het taoïsme is gebaseerd op de ‘Dao de Jing’ (het boek van de weg en de innerlijke kracht), toegeschreven aan Lao Tse.

Vriesekoop legde uit dat het taoïsme de natuur als leidraad ziet. Men kan een plantje niet sneller laten groeien door eraan te trekken; alles heeft zijn eigen tijd en wetmatigheden. Dit geldt ook voor het tafeltennisballetje, dat zijn eigen wetten en dynamiek heeft.

De drie fasen van ontwikkeling: Di, Ren en Tian
Een centraal model in haar lezing was de kosmologische drie-eenheid, die zij projecteerde op de ontwikkeling van een mens (en een topsporter):

  1. Di (De Aarde): De fase van de basis en de regels. In haar vroege jaren bij trainer Gerard Bakker betekende dit gehoorzamen, zwijgen en eindeloos herhalen. In China ontdekte zij in 1980 dat haar basis, ondanks haar Europese successen, nog niet solide genoeg was voor het allerhoogste niveau.
  2. Ren (De Mens): De fase van het breken van de regels. Hierin wordt de uitvoering persoonlijk. Men durft af te wijken van de leraar en een eigen identiteit te ontwikkelen. Vriesekoop beschreef hoe zij in deze fase worstelde; zij was technisch een wereldtopper, maar mentaal nog niet “vrij”.
  3. Tian (De Hemel): De fase van de vernieuwing en de ‘flow’. Hierbij stijgt men boven de materie uit. De geest is leeg (‘Wu Wei’ – handelen door niet-handelen) en de handelingen gaan vanzelf.

De weg naar balans: Yin en Yang
Vriesekoop deelde openhartig over haar dieptepunt tijdens de Olympische Spelen van 1988 in Seoel. Ondanks haar fysieke kracht was er teveel wrijving met haar coach. Ze was niet in balans. De buitenwereld en haar innerlijke landschap botsten. Na een breuk met haar oude coach zocht zij in de jaren ’90 opnieuw de weg naar China, maar ditmaal voor de mentale verdieping. Zij leerde over ‘Qi Gong’ (ademhalings- en energietechnieken) en bestudeerde ‘The Art of War’ van Sun Tzu. Deze strategieën leerden haar om de energie van de tegenstander te gebruiken en haar eigen “innerlijke hart” (Xin) kalm te houden.

De triomf van de dertiger
De bekroning op deze filosofische en sportieve zoektocht kwam in 1992. Op dertigjarige leeftijd — destijds oud voor een tafeltennisster — werd zij opnieuw Europees kampioen in Stuttgart. Ze beschreef dit als een moment van totale balans tussen lichaam (Chi), hart en geest (Shen). Ze was niet langer alleen een product van discipline (Di), maar een compleet mens (Ren) die de hemel (Tian) even aanraakte.

Conclusie
Bettine Vriesekoop sloot af met de boodschap dat de wijsheden uit haar boek niet alleen voor sporters zijn. Het gaat over het vinden van harmonie (‘Hui’) in een wereld die constant verandert. Of het nu gaat om het opvoeden van kinderen in een tijd van digitale afleiding of het behouden van focus in een stressvolle baan: de wetten van de natuur en de innerlijke kracht blijven universeel.

Haar lezing eindigde met een luid applaus, waarna de leden de gelegenheid kregen om na te praten en het boek aan te schaffen, hopend op een klein beetje van die felbegeerde geestelijke kalmte.

Vragenronde

Na afloop van de lezing van Bettine Vriesekoop vond een interactieve vragenronde plaats. Hierin werd dieper ingegaan op de persoonlijke ontwikkeling van de spreker, de Chinese filosofie in de praktijk en de huidige geopolitieke verhoudingen.

1. Vergelijking tussen topsporters en niet-topsporters bij het ouder worden
Kunnen niet-topsporters op zekere leeftijd hun proces kunnen vergelijken met dat van Vriesekoop?
Vriesekoop benadrukt dat iedereen verschillende levensfasen doorloopt (vergelijkbaar met de seizoenen). In China wordt de ouderdom als een natuurlijke fase gezien. Ze stelt dat als je bepaalde ontwikkelingsfasen niet goed doorwerkt of “beschadigd” raakt, ouder worden lastiger is. Ze haalt een anekdote aan van Pearl Buck over een Chinese vrouw die humoristisch en met acceptatie omging met haar naderende dood (door alvast lijkwaden te verzamelen en in haar kist te gaan liggen bij ruzies). De kunst is om het leven in de laatste fase bewust los te laten.

2. Het begrip ‘Wu Wei’ en de flow van het leven
Een aanwezige merkt op dat het begrip ‘Wu Wei’ (niet ingrijpen/meestromen) essentieel is in het taoïsme en vraagt om een toelichting.
Vriesekoop bevestigt dat Wu Wei betekent dat men niet moet forceren. In de sport betekent dit: niet te veel denken, maar in het ‘nu’ zijn. Zodra je gaat nadenken, raak je uit de ‘flow’. Ze legt uit dat de Chinezen vaak wachten op het juiste moment (bijvoorbeeld bij contracten), terwijl Westerlingen alles naar zich toe willen trekken. Spontaniteit (‘Ziran’) is hierbij cruciaal.

3. Pingpongdiplomatie en de huidige wereldpolitiek
Een vragensteller memoreert de historische pingpongdiplomatie uit 1971 (tussen de VS en China) en vraagt of tafeltennis vandaag de dag opnieuw een rol kan spelen in de diplomatie, gezien de spanningen in het Midden-Oosten en tussen grootmachten.
Vriesekoop is sceptisch. Ze verwijst naar de nieuwe film ‘Marty Supreme’ over Marty Friedman, waarin de Amerikaanse moeite met het geëvenaard worden door China naar voren komt. Ze stelt dat tafeltennis voor China nationale trots is, maar dat de sport momenteel eerder als symbool van rivaliteit dan als brug fungeert. Ze sluit zich aan bij Beatrice de Graaf: de wereld is momenteel een machtsspel tussen verschillende blokken waarvoor niet direct een bilaterale sportoplossing klaarligt.

4. Mindfulness en de oorsprong van meditatie
Is mindfulness een westers concept is of komt dat uit China?
Hoewel mindfulness (zoals ontwikkeld door Jon Kabat-Zinn) een westerse vertaling is, vindt het zijn oorsprong in het boeddhisme. De Chinezen zijn van oudsher praktischer ingesteld; zij mediteren “al doende” (bijvoorbeeld tijdens het thee drinken of werken). Dit is later overgegaan in het Zen-boeddhisme.

5. Chinese studenten in het Westen en de maakbaarheid van het kind
Hoe maken Chinese studenten de omschakeling naar het westerse denken?
Vriesekoop merkt op dat het Chinese onderwijs erg schools en lineair is, wat studenten zeer sterk maakt in vakken als wiskunde, maar soms minder flexibel in creatief of kritisch denken. Er heerst in China een sterk geloof in de maakbaarheid van het kind (door vroeg en hard te trainen), terwijl de taoïstische filosofie juist uitgaat van natuurlijke groei. Ze signaleert een spanning tussen de oude filosofie en de moderne prestatiedrang van Chinese ouders.

6. Kennisoverdracht tussen Oost en West
Er ontstaat een discussie over het feit dat China vroeger kennis uit het Westen haalde, maar ons nu op veel gebieden voorbijstreeft.
In overleg met organisator Frans wordt geconcludeerd dat de rollen zijn omgedraaid. Waar het Westen vroeger de maakindustrie naar China verplaatste voor de lage kosten, heeft China die kennis gebruikt om te innoveren. Op veel gebieden (zoals techniek en mogelijk waterbeheer) loopt China nu voorop en zou het Westen juist van hen kunnen leren, al bemoeilijkt de politieke situatie deze uitwisseling.

Afsluiting

De avond wordt afgesloten door de voorzitter, die Bettine Vriesekoop bedankt voor haar inzichten over de eenheid van lichaam en geest. Hij overhandigt haar het boek ‘De Voorste Stroom’, een werk over de natuur in de regio Tilburg/Oisterwijk, wat aansluit bij haar liefde voor de natuur en de “stroom van het leven”.