Inleiding

Piet van den Hout is een bijzondere spreker: hij promoveerde zowel als jurist als als bioloog. Na een korte carrière bij een advocatenkantoor besloot hij een andere weg in te slaan, geïnspireerd door de natuur die hij door zijn raam zag. Hij schreef het boek ‘Gevaarlijk Spel’, waarin hij de fascinerende wereld van predatie, de relaties tussen roofdieren en hun prooien beschrijft.

Tijdens deze lezing neemt Van den Hout zijn publiek mee door ecosystemen over de hele wereld, van de toendra’s van Lapland tot de savannes van de Serengeti. Het centrale thema: wat is de werkelijke rol van roofdieren in een ecosysteem, en waarom is het zorgelijk dat zoveel ecosystemen hun toproofdieren hebben verloren?

Wat is predatie?

Predatie — het Latijnse woord voor ‘plunderen’ — is de relatie waarbij een roofdier zijn prooi vangt en eet. Roofdieren hebben van oudsher een negatief imago: van de wolf die schapen pakt tot het sprookje van Roodkapje. Maar dat beeld is, aldus Van den Hout, sterk gekleurd door menselijke belangen en angsten, en doet geen recht aan de werkelijke ecologische functie van roofdieren.

Het centrale probleem dat hij signaleert: in heel veel ecosystemen wereldwijd zijn de toproofdieren verdwenen. Ecosystemen zijn als het ware ‘onthoofd’. De terugkeer van de wolf in Nederland is dan ook een belangwekkend fenomeen dat oude sentimenten en misverstanden opnieuw aanwakkert.

Het klassieke prooi-predator model

Knaagdieren en hun roofdieren
In Lapland observeerde Van den Hout met eigen ogen een zogenaamde muizenpiek: een explosieve toename van muizen en lemmingen die ongeveer eens in de vier jaar optreedt. Tijdens zo’n piek verschijnen er steeds meer roofdieren, waaronder de kleinste jager en de sperweruil.

Dit klassieke prooi-predator systeem werkt als volgt:

  • Muizen en andere kleine knaagdieren planten zich razendsnel voort (meerdere malen per jaar, jongen zijn bij vele na drie weken al geslachtsrijp).
  • De populatie stijgt exponentieel totdat er voedselconcurrentie ontstaat en stress optreedt.
  • Terwijl de muizenpopulatie piekt, bouwen roofdieren langzamer hun populatie op.
  • De muizenpopulatie stort in — door onderlinge concurrentie én predatiedruk. De roofdieren zitten dan op hun top, maar hebben nauwelijks nog voedsel.
  • Vervolgens herstelt de cyclus zich: weinig prooien, weinig roofdieren, daarna opbouw.

Dit is een dynamisch evenwicht. Hetzelfde patroon ziet men bij onder andere lynxen en sneeuwhazen, en bij wezels en spitsmuizen.

Muizen versus lemmingen: een belangrijk verschil
Bij muizen geldt dat het gras waarvan zij voornamelijk leven vanuit de basis groeit en daardoor nooit volledig kan worden weggevreten. De populatie daalt daardoor niet primair door voedseltekort, maar door stress en predatie.

Bij lemmingen is dit anders: zij eten voornamelijk mossen, die vanuit de top groeien. Als de lemmingenpopulatie piekt, eten zij de mossen letterlijk kaal. Het voedseltekort is hier de dominante factor die de populatie doet instorten — de rol van roofdieren is daardoor relatief kleiner.

Energie Pyramide: waarom zijn roofdieren zeldzaam?

Een fundamentele verklaring voor de altijd kleine aantallen roofdieren ligt in de energiehuishouding van ecosystemen. Energie van de zon wordt vastgelegd door planten of algen, die gegeten worden door herbivoren, die op hun beurt worden gegeten door roofdieren. Bij elke stap in de voedselketen gaat ongeveer 90% van de energie verloren aan beweging, stofwisseling en warmte. Slechts 10% wordt omgezet in biomassa.

Een toproofdier als een valk beschikt daardoor slechts over een promille van de energie die aan de basis van de voedselketen beschikbaar was. Dit maakt het thermodynamisch onmogelijk dat roofdieren ooit even talrijk zijn als hun prooien — en het verklaart waarom voedselketens ook een beperkte lengte hebben.

Veldonderzoek: steltlopers en valken in West-Afrika

Van Waddenzee naar Mauritanië
Voor zijn promotieonderzoek aan het NIOZ (Koninklijk Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee) onderzocht Van den Hout de impact van predatie op steltlopers — in het bijzonder de kanoetstrandloper. Onderzoek in de Waddenzee bleek lastig: groepen vogels vlogen vaak spontaan naar een andere wadplaat en waren daar moeilijk met het logge en dure onderzoeksschip te volgen.

Uiteindelijk vond hij een ideaal studiegebied in Mauritanië (West-Afrika): een waddengebied vol zeegras, waar veel wadvogels, waaronder kanoetstrandlopers, overwinteren. Die vliegen daar vanuit hun Arctische broedgebieden via de Waddenzee naartoe, een dat daarmee als cruciaal ’tankstation’ fungeert.

Wat de valken doen: angst als sturend mechanisme
In dit studiegebied observeerde Van den Hout intensief de jachtvluchten van valken (met name de Barbarijse valk, de lannervalk en de slechtvalken die van het noorden meekwamen). De bevindingen waren verrassend: slechts 1 tot 2 procent van de meeste steltlopersoorten werd per winter door valken gedood. Dat lijkt weinig — en dat is het ook in termen van aantallen. Maar het mechanisme is heel anders dan bij de knaagdieren.

Dit systeem wordt niet gestuurd door aantallen, maar door angst. Valken jagen zelden succesvol omdat de steltlopers in dichte groepen opereren, die als een collectief superorganisme functioneren: duizenden ogen bewaken gezamenlijk de omgeving. Zodra een valk aanvalt, vormen de vogels een compacte bol (vergelijkbaar met spreeuwendansen), waarbinnen het voor de valk nagenoeg onmogelijk is om één vogel te isoleren.

Juist daardoor zijn valken sterk territoriaal: meerdere valken in hetzelfde gebied storen elkaars jacht zodanig dat er nooit meer dan een handvol valken aanwezig is, ook al zijn er duizenden potentiële prooien.

Jonge vogels als de zwaksten
Opvallend was dat 92% van de door valken gedode kanoetstrandlopers jonge vogels waren. Nader onderzoek wees uit dat oudere vogels de jongen via sociale druk (wegpesten) naar de randen van de groep en naar minder veilige foerageergebieden drongen. Jonge vogels zijn daardoor vaker blootgesteld aan gevaar.

Dit ‘systeem’ waarbij vooral de jongen ten prooi vallen, zorgt voor een stabiele dynamiek: de verliezen worden elk jaar goedgemaakt doordat de volwassen vogels in het broedgebied nieuwe jongen grootbrengen.

De Serengeti: angst als onzichtbare kracht

De gnoemigratie
In de savannes van Kenia en Tanzania zijn de ecosystemen nog grotendeels intact, met alle trofische lagen aanwezig. Dit maakt ze bij uitstek geschikt om de rol van predatie te bestuderen.

De gnoe laat de veelvormige relatie tussen roofdieren en prooidieren spectaculair zien tijdens de jaarlijkse migratie van meer dan een miljoen dieren door de Serengeti, culminerend in de gevaarlijke oversteek van de Mara-rivier. Alle gnoekalveren worden binnen een periode van slechts drie weken geboren in februari — een evolutionaire aanpassing om van de veiligheid van de kudde te profiteren  en daarmee de kans op overleven te maximaliseren.

De zelfzuchtige kudde
Bij de rivieroversteek demonstreert Van den Hout het concept van de ‘zelfzuchtige kudde’ (Hamilton, jaren ’70): de enorme groepen die de oversteek wagen, zijn geen resultaat van collectieve besluitvorming. Elk individu reageert op hetzelfde principe — ‘in de groep ben ik het veiligst’ — en uit deze individuele reacties ontstaat als emergent patroon het massale groepsgedrag.

Zebra’s, die zich in de gnoegroepen mengen voor bescherming, zijn kwetsbaarder: zij kunnen niet volwaardig deel uitmaken van de compacte kudde en moeten de flanken bezetten. Zij worden daardoor vaker het slachtoffer van krokodillen en leeuwen.

Regulatie door voedsel versus regulatie door roofdieren
Op de Serengeti geldt een opmerkelijke scheiding: dieren lichter dan 150 gram worden qua populatieomvang gereguleerd door roofdieren (zij zijn voor bijna alle predatoren een prooi). Grotere dieren zoals gnoes worden primair gereguleerd door hun voedselaanbod. Zebra’s, hoewel zwaarder dan gnoes, worden wél  door roofdieren (met name leeuwen) gereguleerd — onder andere omdat zij de massamigratie van de gnoes niet volledig meemaken en daardoor vaker kwetsbaar zijn.

Trofische cascades: de wolf als landschapsarchitect

Roofdieren doen meer dan alleen prooien doden. Via zogenaamde trofische cascades sturen zij vaak het gehele ecosysteem aan. Een sprekend voorbeeld: in gebieden met wolven mijden herten bepaalde bosranden en jonge aanplant uit angst. Hierdoor kunnen jonge bomen ongestoord opgroeien, wat de vegetatiediversiteit vergroot.

In Yellowstone National Park is dit effect grootschalig gedocumenteerd: na de terugkeer van wolven veranderde het landschap ingrijpend doordat herten andere gebieden gingen vermijden. Zelfs de aanwezigheid van één wolf — zonder dat hij iets doodt — is al genoeg om het gedrag van herten en daarmee de vegetatie te beïnvloeden.

Een ander voorbeeld: zeeleeuwen aan de westkust van Amerika eten zee-egels. Waar zeeleeuwen verdwijnen, exploderen de zee-egel-populaties en vreten zij de grote bruinwieren (kelpwier) kaal. Iets dergelijks gebeurt als door het verdwijnen van toproofdieren middelgrote roofdieren sterk toenemen en door predatie op kleinere prooisoorten de biodiversiteit bedreigen (dat heet mesopredator release).

Op de Oostvaardersplassen konden we eveneens zien hoe zonder grote roofdieren (wolven)  herten ongebreideld konden grazen, wat leidde tot massale kaalvraat en vervolgens tot grote sterfte bij hoge dichtheden.

De mens als superpredator

De mens neemt een unieke positie in binnen het ecologische systeem. Van den Hout beschrijft de mens als ‘superpredator’: niet omdat wij superieur zijn, maar omdat wij ons buiten de spelregels van het ecosysteem hebben geplaatst. Alle andere dieren zijn gebonden aan energetische beperkingen en het mechanisme van natuurlijke selectie dat de sterkste prooien beschermt. Wij niet.

Wij vissen de meest reproductieve individuen uit de zee, jagen met technologie, en hebben ons dermate onttrokken aan predatiedruk dat wij onszelf zelfs obesitas kunnen veroorloven — iets wat in de natuur niet zou overleven. Van den Hout stelt dat wij in feite onze eigen ecologische wereld opeten: roofkapitalisme als ecologisch fenomeen.

Vragen en antwoorden

Na de lezing volgde een levendige discussie. Hieronder de gestelde vragen en de antwoorden van Van den Hout.

V: Waarom doodt een wolf niet alleen voor voedsel, maar slacht hij soms een heel koppel schapen af?
A: Van den Hout vermoedt dat dit te maken heeft met levensdrift en het feit dat anti-predatiegedrag bij gedomesticeerde schapen is weggekweekt. Een wolf is gewend dat zijn prooi reageert, vlucht en zich verdedigt. Schapen doen dat niet — ze staan letterlijk schaapachtig. Voor de wolf is dit een buitenkansje: appeltje voor de dorst. Roofdieren grijpen hun kansen, net als valken die bij overvloed hun prooien  verstoppen voor later.

V: Als de mens wordt vergeleken met muizen in het prooi-predator model — heeft de mens dan ook een predator?
A: Er zijn geen dieren die ons als populatie reguleren. De mens is een superpredator die zich buiten het ecosysteem heeft geplaatst. Wij onttrekken ons aan de spelregels. Een grotere bedreiging voor de mensheid zijn micro-organismen zoals virussen — die kunnen ons als soort eerder te grazen nemen dan welk groot roofdier ook. Maar uiteindelijk eten wij onze eigen wereld op.

V: Slechts 1-2% van de steltlopers wordt gepakt door valken. Zou er niet meer prooi beschikbaar moeten zijn voor meer valken?
A: Dit is nu precies het angst-intimidatiemechanisme. Als er één valk opvliegt, zijn alle steltlopers in één klap weg. Valken zijn daarom sterk territoriaal: meerdere valken storen elkaars jacht en vermijden elkaars nabijheid. Bij wolven net zo: in Yellowstone sterft maar liefst 70% van de wolven door conflicten met andere wolven — territorialiteit is dus een fundamentele beperking op het aantal roofdieren ten opzichte van prooidieren in een bepaald gebied.

V: Vergelijkingen tussen mens en dier — past het prooi-predatormodel op de menselijke samenleving en de politiek?
A: Metaforisch zeker: wij herkennen het patroon van roofdier en prooi goed in menselijke verhoudingen. Eeuwen geleden waren mensen in grote delen van de wereld zelf prooidieren. In verstedelijkte westerse samenlevingen is dat systeem zo veranderd dat wij geen gevaar meer lopen — wat bijvoorbeeld verklaart waarom wij ons zelfs obesitas kunnen veroorloven. In andere delen van de wereld, zoals in India bij tijgers, zijn mensen nog steeds prooidieren.

V: Wat is uw visie op de terugkeer van de wolf in Nederland?
A: De wolf is welkom. De schade die wolven aan vee aanrichten is in veelvoud kleiner dan de schade door honden — dat is een feit dat vaak vergeten wordt. Ecologisch gezien heeft de wolf al een meetbare impact: everzwijnen worden gedempt, herten vermijden bepaalde gebieden waar ze voorheen jonge aanplant wegvraten. Puur ecologisch kun je niet zeggen dat Nederland te klein is voor een wolf — ze zijn hier immers al.

V: Wat gebeurt er als een schakel uit de voedselketen verdwijnt — zoals bij de opmars van Aziatische hoornaars en het verdwijnen van bijen?
A: Dit raakt het begrip ‘keystone species’: een soort met een bepalende functie in een ecosysteem, waarvan het verdwijnen leidt tot een kettingreactie. Een goed gedocumenteerd voorbeeld: zeeleeuwen eten zee-egels; zonder zeeleeuwen exploderen de zee-egelpopulaties en vreten zij de bruinwieren kaal. Voedselwebben zijn te complex om alle gevolgen te voorspellen, maar het is duidelijk dat het verwijderen van één soort grote en onverwachte effecten kan hebben.

V: Er lopen 85.000 verwilderde katten rond in de Nederlandse natuur. Heeft dat geen grote impact op het vogelbestand?
A: Absoluut — en u heeft gelijk dat dit onderbelicht is. Studies laten zien dat de impact van verwilderde katten op vogelpopulaties gigantisch is. Katten zijn geliefd en mediagevoelig, waardoor dit thema weinig aandacht krijgt. Maar ik ben het volledig met u eens: hier zou actie op ondernomen moeten worden.

V: Wat is de functie van de wolf als predator voor populaties van herten en andere dieren in ons land?
A: Dat is pas te weten als we het meten. De wolf is nog te kort terug om definitieve conclusies te trekken. Maar studies uit Amerika tonen aan dat hertenpopulaties lager zijn in gebieden met wolven — door directe predatie én door het zogenaamde ‘landschap van angst’: herten vermijden bepaalde gebieden, wat de vegetatie aldaar kan herstellen. Dit heeft een doorwerking op alle lagen van het ecosysteem, van insecten tot vogels.

V: Waar is de wolf na 150 jaar afwezigheid  in Nederland ineens vandaan gekomen?
A: Wolven zijn vanuit Duitsland, met name vanuit het kerngebied Lausitz, spontaan westwaarts getrokken. Wolven zijn territoriaal: als een roedel groeit, moeten jongen nieuw territorium zoeken. Zo verspreiden ze zich. De wolf heeft zijn areaal uitgebreid omdat de omstandigheden het toelieten — net als de zeearend en andere soorten eerder ook spontaan terugkeerden. Als het landschap geschikt is, komen ze vanzelf.

Conclusie

Roofdieren zijn geen plaag of bedreiging voor ecosystemen — zij zijn de architecten van ecologisch evenwicht. Via directe predatie, maar – bij de grotere vleeseters – vooral via de angst die zij inboezemen, sturen zij het gedrag van prooidieren en daarmee de samenstelling van vegetatie en de gehele biodiversiteit.

Het onthoofden van ecosystemen — het uitroeien van toproofdieren — heeft wereldwijd grote gevolgen gehad. De terugkeer van de wolf in Nederland is, ecologisch gezien, een positieve ontwikkeling. Van den Hout pleit voor een feitelijke, wetenschappelijke benadering van de rol van roofdieren, los van tendentieuze informatie die vaak meer door emotie dan door kennis van zaken wordt gestuurd.

 

Op 24 februari 2026 verzorgde prof. Jan Leen Kloosterman, hoogleraar kernreactorfysica aan de TU Delft, een boeiende lezing over kernenergie, de onderliggende techniek en de recente ontwikkelingen in het veld.  In het licht van actuele thema’s als klimaatverandering, netcongestie en de druk op de energievoorziening schetste hij hoe kernenergie kan bijdragen aan een betrouwbare, grootschalige en CO2-arme elektriciteitsproductie.

Klik hier voor zijn begeleidende beeldpresentatie.

Naar aanleiding van de lezing van professor Kloosterman heeft Kringlid Gerard Smals een notitie aangeleverd over kernenergie die hij graag onder de aandacht van de leden wil brengen.
Dit ten behoeve van de discussie over de lezing van Kloosterman. Klik hier voor deze notitie.

Ontwikkelingen op het gebied van kernenergie

Inleiding en politieke context
Kloosterman begon met de vraag wat de “kleur” van kernenergie is en plaatste kernenergie tussen de bekende begrippen “grijze” en “groene” energie.  Hij gebruikte het beeld van de blauwe gloed (het Cherenkov‑effect) in een watergevulde reactor als herkenbaar symbool van kernenergie en als opstap naar de technische uitleg.

Daarna schetste hij de politieke en maatschappelijke context: het nieuwe Nederlandse kabinet toont nadrukkelijke interesse in het versterken van nucleaire clusters, in de bouw van nieuwe kerncentrales en in de ontwikkeling van kleine modulaire reactoren (SMR’s).  Daarbij spelen leveringszekerheid, het terugdringen van CO2‑uitstoot en de beperkingen van het huidige elektriciteitsnet (netcongestie) een belangrijke rol.

Energie- en klimaatopgave
Aan de hand van cijfers over het wereldwijde primaire energieverbruik liet Kloosterman zien hoe groot de huidige afhankelijkheid van fossiele brandstoffen nog steeds is.  Hij koppelde dit aan de gestegen CO2‑concentratie in de atmosfeer (circa 430 ppm in februari 2026) en de noodzaak om de uitstoot snel en fors terug te dringen.

Kernenergie werd gepositioneerd als een van de opties om grootschalig CO2‑arme elektriciteit te produceren, naast andere vormen van duurzame energie.  Op basis van internationale “life cycle”‑studies liet hij zien dat kernenergie qua CO2‑uitstoot per kilowattuur vergelijkbaar laag scoort als wind- en zonne-energie, wanneer de volledige keten (bouw, brandstofcyclus, ontmanteling) wordt meegerekend.

Daarnaast wees hij op het belang van grondstoffen: de energietransitie is volgens hem tegelijk een materiaaltransitie, omdat nieuwe energie‑ en opslagtechnologieën grote hoeveelheden kritieke mineralen vragen.  Kernenergie heeft daar, vergeleken met sommige andere CO2‑arme opties, een relatief beperkte mineralenbehoefte per geproduceerde kilowattuur.

Technische basis van kernsplijting
Vervolgens ging Kloosterman in op de natuurkundige basis van kernenergie.  Hij legde uit hoe kernsplijting in uranium‑235 werkt: een neutron wordt ingevangen, de kern splijt in twee lichtere kernen (splijtingsproducten), er komt veel energie vrij en er ontstaan nieuwe neutronen die een kettingreactie mogelijk maken.  Om deze kettingreactie te beheersen, wordt gebruikgemaakt van een moderator (bijvoorbeeld water) om neutronen af te remmen en regelstaven om de hoeveelheid neutronen in de kern te sturen.

Hij besprak de natuurlijke isotopenverhouding van uranium: ongeveer 99,3% uranium‑238 (niet of slecht splijtbaar met langzame neutronen) en ongeveer 0,7% uranium‑235 (goed splijtbaar).  Omdat voor lichtwaterreactoren een hoger gehalte uranium‑235 nodig is, wordt uranium verrijkt tot ongeveer 3–5% U‑235, een proces waarin Nederland met de verrijkingsfaciliteiten in Almelo internationaal een belangrijke rol speelt.

Een illustratief punt was de energiedichtheid: de energie die vrijkomt bij de splijting van 1 gram U‑235 staat gelijk aan de verbranding van naar orde van grootte 2500 liter benzine of 3000 kilogram kolen.  Ook wees hij op het verschil tussen het kleine volume hoogradioactief afval (ongeveer 1 gram per geproduceerde hoeveelheid energie) en de elf ton CO2 die vrijkomt bij fossiele opwekking voor een vergelijkbare hoeveelheid elektriciteit.

Van kernsplijting naar elektriciteit
In het vervolg legde Kloosterman uit hoe kerncentrales deze kernsplijtingsenergie omzetten in elektriciteit.  In de reactorkern bevinden zich brandstofstaven, opgebouwd uit splijtstoftabletten met verrijkt uranium, samengevoegd in brandstofelementen.  De warmte die in de kern vrijkomt, wordt via een koelmiddel (meestal water) afgevoerd en gebruikt om stoom te maken, die vervolgens een turbine en generator aandrijft.

Hij lichtte de werking van drukwaterreactoren (PWR’s), zoals in Borssele, toe: in een gesloten primair circuit circuleert onder hoge druk water dat in de kern wordt verhit, waarna in een stoomgenerator een secundair watercircuit stoom produceert.  Ook kokendwaterreactoren (BWR’s), waarin het koelwater in de reactorkern zelf in stoom overgaat, kwamen kort aan bod.  Het rendement van een lichtwaterreactor ligt rond de 35%, vergelijkbaar met klassieke fossiele centrales.

Kloosterman illustreerde de schaal en levensduur van bestaande centrales aan de hand van voorbeelden als Borssele en nieuwere ontwerpen zoals de EPR‑reactoren in Hinkley Point C in het Verenigd Koninkrijk.  Daarbij wees hij op de lange ontwerplevensduur van reactorvaten en de uitdagingen die samenhangen met bouwtijd, kostenbeheersing en het voorkomen van ontwerpwijzigingen tijdens de bouw.

Kosten, systeemrol en wereldwijde ontwikkelingen
Een deel van de lezing was gewijd aan de kosten van kernenergie.  De totale kosten bestaan grofweg uit drie componenten: bouwkosten, brandstofkosten en kosten voor bedrijf en onderhoud, waarbij de kapitaalkosten (constructie) een groot deel van de totale elektriciteitsprijs bepalen.  In studies naar toekomstige energiesystemen blijkt kernenergie, ondanks hoge aanvangsinvesteringen, economisch aantrekkelijk te kunnen zijn in een systeem met veel wind en zon, omdat kerncentrales als stabiele basislast bijdragen aan het beperken van systeemkosten en prijsschommelingen.

Wereldwijd zijn er volgens de door hem aangehaalde cijfers ongeveer 70 kernreactoren in aanbouw, waarvan een aanzienlijk deel in China.  Hij liet zien dat veel bestaande reactoren inmiddels een respectabele leeftijd hebben, maar met levensduurverlenging en modernisering nog decennia veilig kunnen blijven draaien.

Nieuwe concepten: SMR’s, MSR’s en HTGR’s
Kloosterman ging uitgebreid in op trends in kernenergie, met de opkomst van kleine modulaire reactoren (SMR’s) en nieuwe reactortechnologieën zoals gesmoltenzoutreactoren (MSR) en hogetemperatuur‑gasgekoelde reactoren (HTGR).

Bij SMR’s wordt hetzelfde principe van lichtwaterreactoren op kleinere schaal toegepast, met als doel gestandaardiseerde fabrieksproductie, kortere bouwtijd en lagere investeringsrisico’s.  Voorbeelden die hij noemde zijn:

  • NuScale SMR (integral PWR) met circa 77 MWe per module, waarbij meerdere modules gekoppeld kunnen worden en eerste commerciële inzet rond 2030 wordt voorzien.
  • Ontwerpen van Rolls‑Royce en de General Electric BWRX‑300, een kokendwater‑SMR van 300 MW met natuurlijke circulatie en een beoogde kostprijs van ongeveer 2250 USD per kW.

Daarnaast besprak hij concepten voor microreactoren, zoals de U‑Battery (een ontwerp waar TU Delft, Manchester University, Urenco en anderen bij betrokken zijn), met ongeveer 10 MW thermisch en 4 MW elektrisch vermogen, bedoeld voor onder meer afgelegen gebieden en industriële toepassingen, met een bedrijfsduur van 5–10 jaar zonder brandstofwissel en inherent veilige eigenschappen.

Gesmoltenzoutreactoren (MSR’s) vormen een andere ontwikkelingslijn, waarbij de splijtstof is opgelost in een circulerend zout.  Kloosterman schetste de basis: een primair zoutcircuit in de kern, een secundair circuit voor warmteoverdracht en een systeem voor reiniging en bijvullen van de brandsstofzout.  Thorium kan in zulke reactoren worden ingezet in een zogeheten kweekcyclus, waarin thorium‑232 via protactinium‑233 wordt omgezet in splijtbaar uranium‑233.  Hij verwees naar historische experimenten zoals de Molten Salt Reactor Experiment in de VS in de jaren zestig en naar onderzoekslijnen aan de TU Delft.

De hogetemperatuur‑gasgekoelde reactor (HTGR) kwam aan bod als voorbeeld van een ontwerp dat zeer hoge koelmiddeltemperaturen mogelijk maakt, wat interessant is voor industriële proceswarmte.  China heeft met de HTR‑10 en de grotere HTR‑PM stappen gezet in de praktijk, waarbij Kloosterman onder meer de veiligheidseigenschappen bij verlies van koeling toelichtte.

Ook de samenwerking met bedrijven als Allseas passeerde: microreactoren en HTGR‑concepten bieden perspectief voor toepassingen in maritieme voortstuwing, offshore‑activiteiten, drijvende energie‑eilandjes en autonome schepen.

Onderzoek, onderwijs en Nederlandse positie
Een belangrijk deel van de lezing ging over de rol van de TU Delft en Nederland in het nucleaire veld.  Kloosterman noemde het OYSTER‑upgradeproject van het onderzoeksreactorinstituut, waarmee onder meer de prestaties van instrumenten met een factor 50 zijn verbeterd en nieuwe faciliteiten voor neutronenonderzoek beschikbaar zijn gekomen.  Neutronen en positronen worden gebruikt voor onderzoek aan materialen, batterijen, magnetisme, voedsel, polymeren, medische toepassingen, cultureel erfgoed, waterstofeconomie, CO2‑opslag en zonne‑energie, waarmee kerntechniek een breder toepassingsveld heeft dan alleen elektriciteitsproductie.

Hij gaf een overzicht van de leerstoelen en onderzoeksgroepen aan de TU Delft die zich bezighouden met kernreactorfysica, thermohydraulica, nucleaire materialen, radiochemie, medische beeldvorming en stralingsveiligheid.  Daarnaast is er een groeiende groep promovendi die werken aan onderwerpen als SMR’s, MSR’s, veiligheid, materialen en brandstofcyclus.

Tot slot benadrukte hij het belang van onderwijs en het opbouwen van een nucleaire community in Nederland.  Er loopt een initiatief om nucleair onderwijs uit te breiden naar MBO en HBO, om bijscholing te bieden aan overheid en zij‑instromers en om de kennisbasis in Nederland te versterken.  Nederland heeft volgens hem een gunstige uitgangspositie: een uitgebreide nucleaire infrastructuur (onderzoek, verrijking, energieproductie, afvalverwerking en medische toepassingen), een ligging aan zee met veel koelwater, en een sterke maritieme en energie‑intensieve industrie.

Over de gehele linie zette Kloosterman een overwegend optimistisch beeld neer van de rol die kernenergie kan spelen in een duurzame energiemix, mits veiligheid, afvalbeheer en maatschappelijke inbedding zorgvuldig worden geborgd en er langdurig wordt geïnvesteerd in innovatie en opleiding.

Vragenronde

Kernfusie en kernsplijting
Professor Kloosterman legde uit dat kernfusie volop in ontwikkeling is, hoewel het vaak minder aandacht krijgt dan kernsplijting.  Hij benadrukte dat veel start‑ups wereldwijd, met name in de Verenigde Staten, bezig zijn met innovatieve technologieën op het gebied van kernfusie.  De bouw van een kernfusiereactor in Zuid‑Frankrijk noemde hij een voorbeeld van Europa’s bijdrage aan deze technologie.

Voortgang zoutreactoren
Een vraag dieper ingaande op zoutreactoren benadrukte de testfases in China, die vooroplopen in ervaring vanwege hun kleine reactoren.  In Europa, echter, blijft veel bij praten vanwege beperkte budgetten, waardoor praktische vooruitgang achterloopt.

Bouwprocessen van reactortechnologieën
Kloosterman besprak de uitdagingen in het reactorbouwproces.  Hij wees erop dat voortdurende innovatie tijdens de bouw de kosten en het tijdsbestek significant verhogen.  De nadruk werd gelegd op het bevriezen van ontwerpen om kostenoverschrijdingen te beperken, hoewel operationele feedback nieuwe kansen biedt voor verbetering na verloop van tijd.

Rekenmodellen en veiligheidsaspecten
Er werden ook vragen gesteld over veiligheidsprocedures en technische specificaties van kernreactoren, vooral gezien schrikbeelden zoals Fukushima.  Kloosterman legde uit dat passieve veiligheidssystemen in moderne reactoren essentieel zijn, en dat de restwarmteproblematiek nog steeds onder controle moet worden gehouden om meltdown‑scenario’s te voorkomen.

Maatschappelijke en milieuaspecten
Kloosterman schreef de trage vooruitgang in de acceptatie van kernenergie deels toe aan politieke besluitvorming en publieke percepties van veiligheid.  Het verschil tussen kernenergie en andere koolstofarme energiebronnen lichtte hij toe aan de hand van CO2‑emissie en de effecten op het milieu.

Materialen en thoriumreactor‑discussie
Ten aanzien van thoriumreactoren benadrukte Kloosterman dat substantiële vooruitgang afhangt van technologieontwikkeling op het gebied van metallurgie en chemie.  Om thorium op grote schaal te gebruiken, moeten duurzame materialen worden ontwikkeld die bestand zijn tegen langdurige blootstelling aan zout.

Conclusie – toekomst van kernenergie

Tijdens de afsluitende discussie werd de potentie van kernenergie in Nederland belicht, mede in verband met de opwarming van de aarde en de noodzaak voor duurzaam beleid.  De noodzaak om te investeren in innovatieve technieken voor een groenere toekomst werd benadrukt, met afscheidstaal die suggereert dat de huidige generatie meer proactief moet zijn om verandering te realiseren.

Lezing Bettine Vriesekoop op 10 februari 2026

De avond werd geopend met een hartelijk welkom aan Bettine Vriesekoop, voormalig tafeltennisster van de eeuw en drievoudig Olympiër. De voorzitter merkte op dat Vriesekoop “als geroepen” kwam. Na eerdere zware lezingen over de deprimerende invloed van Big Tech en de verschrikkingen van een wereldoorlog, was de zaal toe aan wat de kop van een recent interview met Vriesekoop beloofde: geestelijke kalmte. Hoewel zij voor velen bekend staat als topsportster, richtte deze avond zich op haar latere paden: haar studie Sinologie, haar werk als journalist in China en haar diepe verbondenheid met de Chinese filosofie.

Chinese wijsheid in een balletje

De kloof en de verbinding met China
Vriesekoop begon haar betoog door de zaal te betrekken bij haar ervaringen in China. Twee aanwezigen deelden hun indrukken van het land, waarbij de enorme kloof tussen extreme luxe en schrijnende armoede werd benoemd. Vriesekoop nuanceerde dit door te wijzen op de enorme sociaaleconomische ontwikkeling; China heeft honderden miljoenen mensen uit de armoede getrokken.

Zij benadrukte dat haar band met China complex is. Hoewel zij als journalist ook de schaduwkanten heeft gezien, heeft het land haar gevormd. “Als je je verdiept in andere culturen, krijg je een ander zicht op jezelf,” aldus Vriesekoop. Haar sportieve successen heeft zij te danken aan de Chinese trainingsdiscipline, maar haar persoonlijke groei aan de Chinese wijsheid.

De kern: Taoïsme versus Confucianisme
De lezing draaide om haar tiende boek, waarin zij de Chinese filosofie koppelt aan de dynamiek van het tafeltennisballetje. Zij legde het fundamentele verschil uit tussen de twee belangrijkste stromingen in China:

  1. Het Confucianisme: Dit gaat over de maatschappelijke orde, hiërarchie en moraliteit. Een kernbegrip hierbij is ‘Ren Xin’ (wederkerigheid). Het is de leer van het “netjes binnen de lijntjes kleuren”.
  2. Het Taoïsme: Dit is de leer van de natuur en de innerlijke weg. Waar de confuciaan de regels volgt, zoekt de taoïst de “achterdeur” en volgt zijn eigen natuur. Het taoïsme is gebaseerd op de ‘Dao de Jing’ (het boek van de weg en de innerlijke kracht), toegeschreven aan Lao Tse.

Vriesekoop legde uit dat het taoïsme de natuur als leidraad ziet. Men kan een plantje niet sneller laten groeien door eraan te trekken; alles heeft zijn eigen tijd en wetmatigheden. Dit geldt ook voor het tafeltennisballetje, dat zijn eigen wetten en dynamiek heeft.

De drie fasen van ontwikkeling: Di, Ren en Tian
Een centraal model in haar lezing was de kosmologische drie-eenheid, die zij projecteerde op de ontwikkeling van een mens (en een topsporter):

  1. Di (De Aarde): De fase van de basis en de regels. In haar vroege jaren bij trainer Gerard Bakker betekende dit gehoorzamen, zwijgen en eindeloos herhalen. In China ontdekte zij in 1980 dat haar basis, ondanks haar Europese successen, nog niet solide genoeg was voor het allerhoogste niveau.
  2. Ren (De Mens): De fase van het breken van de regels. Hierin wordt de uitvoering persoonlijk. Men durft af te wijken van de leraar en een eigen identiteit te ontwikkelen. Vriesekoop beschreef hoe zij in deze fase worstelde; zij was technisch een wereldtopper, maar mentaal nog niet “vrij”.
  3. Tian (De Hemel): De fase van de vernieuwing en de ‘flow’. Hierbij stijgt men boven de materie uit. De geest is leeg (‘Wu Wei’ – handelen door niet-handelen) en de handelingen gaan vanzelf.

De weg naar balans: Yin en Yang
Vriesekoop deelde openhartig over haar dieptepunt tijdens de Olympische Spelen van 1988 in Seoel. Ondanks haar fysieke kracht was er teveel wrijving met haar coach. Ze was niet in balans. De buitenwereld en haar innerlijke landschap botsten. Na een breuk met haar oude coach zocht zij in de jaren ’90 opnieuw de weg naar China, maar ditmaal voor de mentale verdieping. Zij leerde over ‘Qi Gong’ (ademhalings- en energietechnieken) en bestudeerde ‘The Art of War’ van Sun Tzu. Deze strategieën leerden haar om de energie van de tegenstander te gebruiken en haar eigen “innerlijke hart” (Xin) kalm te houden.

De triomf van de dertiger
De bekroning op deze filosofische en sportieve zoektocht kwam in 1992. Op dertigjarige leeftijd — destijds oud voor een tafeltennisster — werd zij opnieuw Europees kampioen in Stuttgart. Ze beschreef dit als een moment van totale balans tussen lichaam (Chi), hart en geest (Shen). Ze was niet langer alleen een product van discipline (Di), maar een compleet mens (Ren) die de hemel (Tian) even aanraakte.

Conclusie
Bettine Vriesekoop sloot af met de boodschap dat de wijsheden uit haar boek niet alleen voor sporters zijn. Het gaat over het vinden van harmonie (‘Hui’) in een wereld die constant verandert. Of het nu gaat om het opvoeden van kinderen in een tijd van digitale afleiding of het behouden van focus in een stressvolle baan: de wetten van de natuur en de innerlijke kracht blijven universeel.

Haar lezing eindigde met een luid applaus, waarna de leden de gelegenheid kregen om na te praten en het boek aan te schaffen, hopend op een klein beetje van die felbegeerde geestelijke kalmte.

Vragenronde

Na afloop van de lezing van Bettine Vriesekoop vond een interactieve vragenronde plaats. Hierin werd dieper ingegaan op de persoonlijke ontwikkeling van de spreker, de Chinese filosofie in de praktijk en de huidige geopolitieke verhoudingen.

1. Vergelijking tussen topsporters en niet-topsporters bij het ouder worden
Kunnen niet-topsporters op zekere leeftijd hun proces kunnen vergelijken met dat van Vriesekoop?
Vriesekoop benadrukt dat iedereen verschillende levensfasen doorloopt (vergelijkbaar met de seizoenen). In China wordt de ouderdom als een natuurlijke fase gezien. Ze stelt dat als je bepaalde ontwikkelingsfasen niet goed doorwerkt of “beschadigd” raakt, ouder worden lastiger is. Ze haalt een anekdote aan van Pearl Buck over een Chinese vrouw die humoristisch en met acceptatie omging met haar naderende dood (door alvast lijkwaden te verzamelen en in haar kist te gaan liggen bij ruzies). De kunst is om het leven in de laatste fase bewust los te laten.

2. Het begrip ‘Wu Wei’ en de flow van het leven
Een aanwezige merkt op dat het begrip ‘Wu Wei’ (niet ingrijpen/meestromen) essentieel is in het taoïsme en vraagt om een toelichting.
Vriesekoop bevestigt dat Wu Wei betekent dat men niet moet forceren. In de sport betekent dit: niet te veel denken, maar in het ‘nu’ zijn. Zodra je gaat nadenken, raak je uit de ‘flow’. Ze legt uit dat de Chinezen vaak wachten op het juiste moment (bijvoorbeeld bij contracten), terwijl Westerlingen alles naar zich toe willen trekken. Spontaniteit (‘Ziran’) is hierbij cruciaal.

3. Pingpongdiplomatie en de huidige wereldpolitiek
Een vragensteller memoreert de historische pingpongdiplomatie uit 1971 (tussen de VS en China) en vraagt of tafeltennis vandaag de dag opnieuw een rol kan spelen in de diplomatie, gezien de spanningen in het Midden-Oosten en tussen grootmachten.
Vriesekoop is sceptisch. Ze verwijst naar de nieuwe film ‘Marty Supreme’ over Marty Friedman, waarin de Amerikaanse moeite met het geëvenaard worden door China naar voren komt. Ze stelt dat tafeltennis voor China nationale trots is, maar dat de sport momenteel eerder als symbool van rivaliteit dan als brug fungeert. Ze sluit zich aan bij Beatrice de Graaf: de wereld is momenteel een machtsspel tussen verschillende blokken waarvoor niet direct een bilaterale sportoplossing klaarligt.

4. Mindfulness en de oorsprong van meditatie
Is mindfulness een westers concept is of komt dat uit China?
Hoewel mindfulness (zoals ontwikkeld door Jon Kabat-Zinn) een westerse vertaling is, vindt het zijn oorsprong in het boeddhisme. De Chinezen zijn van oudsher praktischer ingesteld; zij mediteren “al doende” (bijvoorbeeld tijdens het thee drinken of werken). Dit is later overgegaan in het Zen-boeddhisme.

5. Chinese studenten in het Westen en de maakbaarheid van het kind
Hoe maken Chinese studenten de omschakeling naar het westerse denken?
Vriesekoop merkt op dat het Chinese onderwijs erg schools en lineair is, wat studenten zeer sterk maakt in vakken als wiskunde, maar soms minder flexibel in creatief of kritisch denken. Er heerst in China een sterk geloof in de maakbaarheid van het kind (door vroeg en hard te trainen), terwijl de taoïstische filosofie juist uitgaat van natuurlijke groei. Ze signaleert een spanning tussen de oude filosofie en de moderne prestatiedrang van Chinese ouders.

6. Kennisoverdracht tussen Oost en West
Er ontstaat een discussie over het feit dat China vroeger kennis uit het Westen haalde, maar ons nu op veel gebieden voorbijstreeft.
In overleg met organisator Frans wordt geconcludeerd dat de rollen zijn omgedraaid. Waar het Westen vroeger de maakindustrie naar China verplaatste voor de lage kosten, heeft China die kennis gebruikt om te innoveren. Op veel gebieden (zoals techniek en mogelijk waterbeheer) loopt China nu voorop en zou het Westen juist van hen kunnen leren, al bemoeilijkt de politieke situatie deze uitwisseling.

Afsluiting

De avond wordt afgesloten door de voorzitter, die Bettine Vriesekoop bedankt voor haar inzichten over de eenheid van lichaam en geest. Hij overhandigt haar het boek ‘De Voorste Stroom’, een werk over de natuur in de regio Tilburg/Oisterwijk, wat aansluit bij haar liefde voor de natuur en de “stroom van het leven”.

Europese Veiligheid in de schaduw van München: terug naar 1938?

Prof. dr. Frans Osinga schetste in zijn lezing een ontnuchterend beeld van de huidige veiligheidssituatie van Europa: volgens hem leven we niet meer in een naoorlogse, maar in een pre‑war era, waarin grootschalig conflict op het continent opnieuw voorstelbaar is en we in zekere zin terugkeren naar de logica van 1938 München.

Klik hier voor zijn begeleidende beeldpresentatie.

Van optimisme naar pre‑war era
Na de val van de Berlijnse Muur overheerste in Europa het idee dat de geschiedenis zijn eindpunt had bereikt en dat liberale democratie en economische verwevenheid grote oorlogen overbodig hadden gemaakt. Dit optimisme voedde een strategische cultuur van pacificatie: defensiebudgetten daalden fors, legers werden afgeslankt en primair ingericht op kleinschalige, humanitaire missies ver van huis. Oorlog gold als iets dat zich alleen nog in “black holes” als Afghanistan of delen van Afrika afspeelde, terwijl Europa onder de Amerikaanse nucleaire en militaire paraplu in een comfortabele luxe‑positie verkeerde.
Die illusie werd volgens Osinga geleidelijk doorbroken: eerst met de annexatie van de Krim in 2014, vervolgens definitief met de grootschalige invasie van Oekraïne in 2022. Waar het Westen in 2014 nog zwak en verdeeld reageerde, ervoer Poetin dat als bevestiging dat Europa niet bereid was harde macht in te zetten en dat de risico’s van escalatie voor Rusland beheersbaar waren.

De oorlog in Oekraïne als industriële uitputtingsslag
De huidige fase van de oorlog in Oekraïne typeerde Osinga als een klassieke uitputtingsslag, waarin Rusland is teruggevallen op een totale oorlogscultuur en mensenlevens als verbruiksgoed inzet. Voor elke veroverde vierkante kilometer betaalt Rusland volgens hem de prijs van honderden doden, wat onderstreept dat territoriale winst vooral wordt gekocht met massale verliezen. Daartegenover staat een Oekraïne dat, dankzij westerse steun en technologische innovatie (met name de massale inzet van drones), in staat is het Russische leger zware schade toe te brengen en de eigen verliezen te beperken.
Osinga benadrukte dat drones in de loop van de oorlog transformeerden van niche‑capaciteit tot een van de bepalende wapensystemen op het slagveld. Rond 2024–2025 zouden onbemande systemen in sommige sectoren verantwoordelijk zijn voor een groot deel van de Russische materiële verliezen, waar dat in het begin vooral artillerie en klein kaliber vuur waren. Tegelijkertijd heeft Rusland zijn economie stapsgewijs omgeschakeld naar een oorlogseconomie, waardoor het regime de kosten van deze uitputtingsstrijd op langere termijn op de eigen bevolking kan blijven afwentelen.
Een bijzonder zorgpunt voor Europa acht Osinga het scenario waarin Oekraïne verliest: in dat geval ziet hij een reëel risico dat de Baltische staten of andere NAVO‑landen de volgende testcases worden voor een Russische poging om de geloofwaardigheid van artikel 5 te ondermijnen.

Trump, MAGA en het einde van de Pax Americana
Een groot deel van de lezing was gewijd aan de veranderende rol van de Verenigde Staten en de impact van Donald Trump en de MAGA‑beweging op de internationale orde. Osinga schetste Trump als een leider die bondgenootschappen niet ziet als waardegemeenschappen, maar als transacties in een zero‑sum logica, waarin partners vooral worden beoordeeld op wat zij “betalen”. In die optiek verliest de traditionele Pax Americana – de periode waarin Amerikaanse macht en bereidheid tot leiderschap voor een relatief stabiele wereldorde zorgden – haar draagvlak in Washington.
In de documenten en plannen rond een tweede termijn, zoals Project 2025, herkende Osinga een streven naar een radicale herordening van de Amerikaanse staat en een scherpe heroriëntatie op binnenlandse grenzen en concurrentie met China, ten koste van de aandacht voor Europese veiligheid. Trump heeft meermaals getwijfeld aan de waarde van NAVO’s bijstandsverplichting en openlijk gespeculeerd over het niet langer automatisch verdedigen van bondgenoten, waarmee de politieke geloofwaardigheid van de Amerikaanse nucleaire paraplu onder druk komt te staan. Daarbij komt dat binnen de MAGA‑beweging en onder evangelische achterbannen democratie niet langer als vanzelfsprekende kernwaarde geldt; dit voedt Osinga’s zorg dat de Amerikaanse rechtsstaat structureel erodeert, ook voorbij Trump zelf.
Osinga wees erop dat zelfs als Trump als persoon uit beeld verdwijnt, er een nieuwe generatie conservatieve leiders klaarstaat die ideologisch nog radicaler én beter georganiseerd is. Daarmee, zo stelde hij, is de Amerikaanse onbetrouwbaarheid niet een tijdelijke rimpel, maar mogelijk een structurele factor waarmee Europa rekening moet houden.

Europa in de schaduw van München
Tegen deze achtergrond plaatste Osinga de Europese veiligheid expliciet “in de schaduw van München”: de huidige situatie vertoont volgens hem verontrustende parallellen met 1938, toen de westerse mogendheden Poetins voorganger Hitler probeerden te beteugelen via appeasement (verzoening). Hij verwees naar recente uitspraken van Europese leiders en analyses uit gezaghebbende tijdschriften, waarin gewezen wordt op de terugkeer van grootmachtpolitiek, het verval van multilaterale instituties en een wereldorde die steeds minder door regels en steeds meer door rauwe macht wordt gestuurd.
In die context waarschuwde Osinga voor de verleiding om het conflict in Oekraïne te “bevriezen” via een schijnbare compromisvrede die in feite neerkomt op het belonen van agressie. Het risico is dan dat Europa opnieuw – net zoals in de jaren dertig – een agressieve, revisionistische macht aan zijn oostgrens laat consolideren, in de illusie daarmee vrede te kopen, terwijl men feitelijk een grotere toekomstige oorlog voorbereidt.
Osinga betoogde dat Rusland het conflict niet alleen als een territoriale oorlog tegen Oekraïne ziet, maar ook als een existentiële beschavingsstrijd tegen het Westen en zijn waarden. Dit blijkt onder meer uit de Russische retoriek, de ideologische framing door figuren rond het Kremlin en uit praktijken in bezette gebieden, waar bevolkingsvervanging, deportaties en systematische onderdrukking van de Oekraïense identiteit plaatsvinden.
Russische hybride oorlog en kwetsbaar Europa
Naast de klassieke militaire dreiging ging Osinga uitvoerig in op de hybride oorlogsvoering waarmee Rusland Europa al jaren bestookt. Hij presenteerde voorbeelden van desinformatiecampagnes, cyberaanvallen, het instrumentaliseren van migratiestromen, sabotage van pijpleidingen en datakabels, en pogingen om via steun aan extremistische partijen de democratische cohesie te ondermijnen.
Zo kwamen onder meer incidenten aan bod rond Russische schepen in de nabijheid van cruciale onderzeese kabels, drone‑activiteiten rond kritieke infrastructuur en sabotage‑ en brandstichtingsincidenten bij militaire en civiele doelen in diverse Europese landen. Ook beschreef hij hoe Russische staatsmedia en beïnvloedingsnetwerken systematisch negatieve narratieven over de EU verspreiden – variërend van het beeld van een “decadent” en “vervalsch” Europa tot het aanwakkeren van polarisatie rond migratie, identiteit en energie.
Osinga koppelde deze hybride instrumenten aan een bewuste Russische strategie: het zaaien van wantrouwen in instituties, het ondermijnen van feiten en expertise en het normaliseren van complottheorieën, in lijn met analyses van denkers als Hannah Arendt en contemporaine auteurs over moderne desinformatie. Het doel is volgens hem om de wils- en weerbaarheidskracht van Europese samenlevingen te breken, zodat Moskou met relatief beperkte inzet maximale politieke winst kan boeken.

De opgave voor Europa
In zijn slotbeschouwing formuleerde Osinga een heldere en veeleisende agenda voor Europa. Allereerst moet de Europese defensie‑industrie substantieel worden opgeschaald: munitievoorraden, onderhoudscapaciteit en productie van zware wapens zijn op dit moment volgens hem ontoereikend voor een langdurig, grootschalig conflict, en Europa heeft het zich te lang veroorloofd te vertrouwen op Amerikaanse industriële slagkracht.
Daarnaast pleitte hij voor een verregaande “Europeanisering” van de NAVO: Europese landen moeten in staat zijn om, ook bij een terugtrekkende of onvoorspelbare Verenigde Staten, het eigen luchtruim te verdedigen, complexe militaire operaties aan te voeren en in alle domeinen (cyber, ruimte, lucht, land en zee) geloofwaardige afschrikking te bieden. Daarbij horen investeringen in lucht- en raketverdediging, langeafstandsprecisiewapens, ISR‑capaciteit en strategische luchttransportmiddelen, zoals recent door verschillende veiligheidsstudies is doorgerekend.
Een derde pijler vormt de maatschappelijke weerbaarheid. Europa zal kritieke infrastructuur – van datacenters en havens tot energie‑ en communicatienetten – beter moeten beschermen, de afhankelijkheid van autoritaire regimes verkleinen en tegelijkertijd de democratische instituties en publieke debatcultuur versterken tegen desinformatie en polarisatie. Osinga verwees daarbij naar voorbeelden als de Zweedse aanpak van “totaaldefensie”, waarbij de hele samenleving wordt voorbereid op crisissituaties, inclusief duidelijke communicatie naar burgers over hun rol.

Ondanks de zwaarte van zijn diagnose zag Osinga ook lichtpuntjes. Hij wees op de ongekende eensgezindheid onder Europese leiders in de reactie op de Russische agressie, de toegenomen militaire samenwerking en de bereidheid van veel landen om eindelijk de NAVO‑norm van 2 procent van het BBP aan defensie te halen of zelfs te overschrijden. De NAVO als militair-bureaucratische organisatie functioneert volgens hem nog steeds zeer krachtig; het zijn vooral de politieke garanties – bovenal die van de Verenigde Staten – die wankelen.
De lezing werd afgesloten met de sombere maar mobiliserende boodschap dat veiligheid niet gratis is en dat Europa mentaal en financieel moet wennen aan een wereld waarin het zijn eigen vrijheid weer actief zal moeten verdedigen. De tijd van naïviteit is, zo onderstreepte Osinga, definitief voorbij.

Discussieronde

Na een indrukwekkende en indringende lezing door prof. dr. Frans Osinga over de huidige geopolitieke verschuivingen, werd de gelegenheid geboden aan de leden van de Culturele Kring om vragen te stellen. Er ontstond een diepgaande discussie over de toekomst van internationale conflicten, de stabiliteit van de NAVO en de staat van de Amerikaanse democratie. Hieronder volgt een gedetailleerde weergave van de besproken thema’s.

1. De oorlog in Oekraïne: Einde en vredesonderhandelingen
Op de vraag hoe en wanneer het conflict tussen Rusland en Oekraïne zal eindigen, en waarom er zo weinig over vrede wordt gesproken, schetste Osinga een complex beeld. Een wapenstilstand of bestand komt er pas als beide partijen ervan overtuigd zijn dat doorvechten minder oplevert dan stoppen. Momenteel ontbreekt echter de belangrijkste voorwaarde: vertrouwen.

Zelensky weigert te onderhandelen zolang Poetin aan de macht is, wijzend op het feit dat Rusland de afgelopen 30 jaar elk verdrag heeft geschonden. Poetin op zijn beurt weigert gesprekken met Zelensky. Bovendien heeft Zelensky weinig politieke bewegingsruimte; 60-70% van de Oekraïense bevolking wijst territoriale concessies (zoals het opgeven van de Donbass) resoluut af, zowel om morele als economische redenen (vanwege de aanwezige grondstoffen).

Voor Poetin is de oorlog inmiddels verweven met het voortbestaan van zijn regime. Het stoppen van de oorlog zou betekenen dat 700.000 getraumatiseerde soldaten terugkeren naar een maatschappij die inmiddels economisch afhankelijk is geworden van de militaire industrie. Hoewel er geruchten zijn dat Amerika Oekraïne onder druk zet om gebieden op te geven in ruil voor veiligheidsgaranties, waarschuwde Osinga voor de onbetrouwbaarheid van Trump in dergelijke deals.

2. De invloed van Donald Trump en de Amerikaanse democratie
Een groot deel van de vragenronde richtte zich op de figuur Trump. Osinga toonde zich zeer bezorgd over de erosie van de democratische rechtsorde in de VS. Hij beschreef Trump als iemand die instituten ontmantelt, de media aanvalt en het rechtssysteem naar zijn hand zet.

Volgens Osinga is de “Pax Americana” – de periode van relatieve vrede onder Amerikaanse leiding – voorbij. Amerika lijkt niet langer de hoeder van de internationale rechtsorde te willen zijn. Hij wees op de enorme invloed van de MAGA-beweging en de ‘evangelicals’, die democratie niet langer als een absolute vereiste zien. Zelfs als Trump zou wegvallen, staat met figuren als JD Vance een nog radicalere en intelligentere generatie klaar. Osinga vreesde dat toekomstige verkiezingen (zoals de midterms) niet meer volgens de normale democratische normen zullen verlopen.

3. De NAVO: Dood of springlevend?
Naar aanleiding van geluiden in de media dat de NAVO “dood” zou zijn, nuanceerde Osinga dit beeld sterk. De NAVO is veel meer dan alleen de politieke top in Brussel; het is een diepgewortelde militaire en bureaucratische infrastructuur. Dagelijks werken duizenden experts samen aan strategische plannen, opleidingen en technologische standaarden. Deze “militaire machine” functioneert nog uitstekend.

Het probleem zit in de politieke garantie van Artikel 5 (collectieve defensie). Onder Trump is de zekerheid van de Amerikaanse nucleaire paraplu onzeker geworden. Osinga pleit daarom voor de “Europeanisering van de NAVO”. Europa moet in staat zijn om zelfstandig complexe operaties te leiden en de eigen veiligheid te garanderen, los van wie er in het Witte Huis zit. Dit proces is inmiddels ingezet, waarbij zelfs gesproken wordt over een Europese nucleaire rol voor Frankrijk.

4. China en Taiwan
Over de spanningen rond Taiwan merkte Osinga op dat een conflict niet per se een invasie hoeft te betekenen. China hanteert momenteel een strategie van maritieme blokkades en constante schendingen van het luchtruim om Taiwan tot capitulatie te dwingen. De onberekenbaarheid van Trump zorgt er hier voor dat landen als Japan en Zuid-Korea hun eigen krijgsmacht fors uitbreiden en zelfs nadenken over eigen kernwapens.

5. Media en informatievoorziening
Op een vraag over de kwaliteit van de Nederlandse nieuwsvoorziening vergeleken met de VS, was Osinga gematigd positief. Hoewel hij infotainment-programma’s (waar oorlog wordt afgewisseld met triviaal nieuws) bekritiseerde, zag hij bij kwaliteitsmedia en programma’s als Nieuwsuur een toenemend niveau van expertise. Hij uitte echter zorgen over de jongere generatie die nieuws hoofdzakelijk via sociale media zoals TikTok consumeert, wat de deur openzet voor desinformatie en propaganda.

Conclusie

De sessie werd afgesloten met een dankwoord van de voorzitter. Hoewel de geschetste wereldorde zorgwekkend is, werd de diepgang en visie van prof. dr. Osinga zeer gewaardeerd.

 

Inleiding: Een wereld in de greep van giganten

De eerste bijeenkomst van het jaar trok een bijzonder grote opkomst, wat gezien de actualiteit van het onderwerp – de macht van Big Tech – niet verrassend was. De inleider, Prof. mr. dr. Reijer Passchier (hoogleraar digitalisering en de democratische rechtsstaat aan de Open Universiteit en universitair docent staatsrecht in Leiden), nam de aanwezigen mee in een onthullend en bij vlagen verontrustend betoog over hoe een handjevol technologiebedrijven onze democratie en rechtsstaat fundamenteel bedreigt.

De omvang van de macht: Groter dan staten
Passchier begon met het schetsen van de astronomische omvang van bedrijven als Microsoft, Apple, Amazon, Meta (Facebook), Alphabet (Google) en Nvidia. Om de beurswaarde van deze giganten te duiden, maakte hij een treffende vergelijking: de waarde van één bedrijf als Apple of Microsoft is ongeveer gelijk aan het totale Nederlandse vermogen (alle pensioenpotten, huizen en machines bij elkaar). De gezamenlijke waarde van Big Tech overstijgt het Bruto Binnenlands Product van de gehele Europese Unie.

Deze bedrijven beschikken over meer vrij besteedbaar kapitaal dan middelgrote landen. Terwijl de begroting van een land als Nederland grotendeels vastligt aan zorg en onderwijs, kunnen tech-giganten jaarlijks honderden miljarden naar eigen inzicht investeren in lobbywerk, overnames of nieuwe technologie.

De onzichtbare afhankelijkheid
Een cruciaal punt in de lezing was onze totale afhankelijkheid. Passchier wees erop dat bijna de gehele Nederlandse overheid, inclusief gemeenten en ministeries, inmiddels draait op de ‘cloud’ van Microsoft of Amazon. Dit betekent dat vitale processen – van belastinginning tot uitkeringen en logistiek – direct kunnen stilvallen als deze Amerikaanse bedrijven de stekker eruit trekken of als er politieke sancties vanuit de VS volgen. Deze migratie naar de cloud is vaak zonder strategische of constitutionele afweging gebeurd; het werd gezien als een simpele IT-beslissing, terwijl het in feite onze soevereiniteit aantast.

Digitaal Feodalisme
De spreker introduceerde de term ‘digitaal feodalisme’ om de huidige situatie te duiden. We keren volgens hem terug naar middeleeuwse verhoudingen:

  • Privileges: Grote tech-bedrijven opereren feitelijk boven de wet. Ze kunnen boetes van miljarden (zoals opgelegd door de EU) eenvoudig incalculeren als bedrijfskosten.
  • Macht van enkelen: Bij bedrijven als Meta ligt de volledige macht bij één persoon (Mark Zuckerberg) door een speciale aandelenstructuur. Dit zijn geen democratische instituties, maar private dictaturen.
  • Grondadel van de 21e eeuw: Net zoals de adel vroeger de grond bezat, bezitten deze bedrijven de digitale infrastructuur waar wij allemaal van afhankelijk zijn voor onze communicatie en economie.

De bedreiging voor de rechtsstaat
Passchier legde uit dat de democratische rechtsstaat rust op het idee dat macht altijd beperkt en gecontroleerd moet worden (constitutionalisme). Big Tech ontsnapt aan deze controle door:

  • Lobbykracht: Ze beïnvloeden wetgeving in Brussel en Washington zo sterk dat regels vaak tandeloos worden.
  • Handhavingsproblemen: Bedrijven spelen landen tegen elkaar uit. Als Ierland te streng wordt, dreigen ze te verhuizen.
  • Anti-innovatie: Ze kopen kleine concurrenten op voordat deze een bedreiging kunnen vormen (killer acquisitions), waardoor echte vernieuwing die het publiek belang dient, wordt gesmoord.

De rol van de Verenigde Staten en de geopolitiek
De actualiteit rondom de Amerikaanse politiek (Trump/Vance) maakt de situatie nijpender. Er is een duidelijke tendens waarbij de Amerikaanse overheid Big Tech gebruikt als geopolitiek wapen. Dreigementen om uit de NAVO te stappen als Europa de tech-reuzen strenger aanpakt, illustreren hoe verweven commerciële belangen en internationale veiligheid zijn geraakt.

Is er een weg uit de vloek?
Hoewel Passchier toegaf de laatste maanden pessimistischer te zijn geworden, bood hij ook oplossingsrichtingen aan:

  • Afbouw van afhankelijkheid: Overheden en vitale instellingen moeten zo snel mogelijk van de Amerikaanse cloud af en investeren in Europese alternatieven.
  • Democratisering van kapitaal: We moeten nadenken over nieuwe vormen van eigendom (zoals ‘steward ownership’), waarbij bedrijven niet alleen winst voor aandeelhouders nastreven, maar een maatschappelijke missie hebben.
  • Universeel kapitalisme: Zorgen dat de winsten uit technologie en AI ten goede komen aan de gehele samenleving, bijvoorbeeld via dividenden voor iedere burger, in plaats van dat alle rijkdom zich concentreert bij een paar miljardairs in Silicon Valley.

Conclusie
De lezing was een dringende oproep tot waakzaamheid. De ‘vloek van Big Tech’ is niet alleen een economisch probleem, maar een existentiële bedreiging voor onze vrijheid en democratie. De technologische vooruitgang wordt vaak blindelings omarmd als religie, maar zonder stevige rechtsstatelijke kaders riskeren we onze autonomie definitief te verliezen aan de nieuwe digitale baronnen.

Vragen

Na afloop van de lezing vond een uitgebreide interactie plaats tussen de spreker en het publiek. Hieronder volgt een gedetailleerd overzicht van de besproken thema’s, vragen en de gegeven antwoorden.

Vraag 1: De rol van Apple en Tim Cook op het gebied van privacy
Een toehoorder merkte op dat Apple-CEO Tim Cook zich profileert als een voorvechter van privacy en vroeg waarom dit niet in de lezing was meegenomen.

De spreker nuanceerde het positieve beeld van Apple. Hoewel Apple privacyvriendelijker lijkt dan bijvoorbeeld Meta, is dit deels een marketingstrategie om te concurreren. De spreker wees op de schaduwkanten: Apple wordt geassocieerd met milieuvervuiling en slechte werkomstandigheden in China. Bovendien staat alle data in de iCloud, waar de Amerikaanse overheid via geheime wetgeving (inlichtingen- en veiligheidsdiensten) toegang toe kan eisen. Apple zal deze inzage geven om boetes of juridische sancties te voorkomen, vaak zonder dat de gebruiker het merkt.

Vraag 2: Een Europese advertentietaks (de ‘Trump-taks’) op AdWords
De vraagsteller stelde voor om een Europese belasting van 5% in te voeren op digitale advertenties (AdWords) om de macht van Big Tech aan te pakken en de inkomsten in Europa te houden.

De spreker legde uit dat dit soort voorstellen politiek uiterst gevoelig liggen. Toen Frankrijk een dergelijke ‘digitax’ wilde invoeren, reageerden de VS direct met dreigementen over hogere accijnzen op Franse producten zoals kaas en wijn. De VS beschouwen dergelijke belastingen als een aanval op hun bedrijven. Gezien onze militaire en technologische afhankelijkheid van de VS (bijvoorbeeld de software in F35-straaljagers die vanuit het Pentagon wordt onderhouden), is het implementeren van zo’n taks complex en riskant.

Vraag 3: Waar kunnen we nog hoop en optimisme uit putten?
Meerdere aanwezigen gaven aan aangeslagen te zijn door de negatieve trends. Er werd gevraagd naar een ‘sprankje hoop’.

De spreker vindt hoop in de potentie van de Europese Unie. Europa heeft de macht om wetten te maken en te handhaven en beschikt over een sterke industrie. We hebben de kennis in huis om alternatieven voor Amerikaanse technologie te ontwikkelen. Daarnaast kunnen we ervoor kiezen om minder technologie te gebruiken waar dat niet nodig is (bijvoorbeeld op basisscholen). Het ‘Rijnlandse model’ en onze democratische tradities bieden een stevig fundament, mits we strategischer gaan denken en onze krachten bundelen.

Vraag 4: De technologische opmars van China
Er werd gevraagd of China de strijd wint en hoe zij technologie inzetten.

Op economisch en technologisch vlak (AI-race, chips) loopt China bijna gelijk met de VS. Echter, vanuit een humanistisch en democratisch perspectief is de situatie dystopisch. China heeft een surveillancesamenleving gecreëerd met een ‘sociaal kredietsysteem’. Burgers worden op basis van datapunten (zoals verkeersgedrag of sociaal gedrag) beoordeeld, wat directe gevolgen heeft voor hun toegang tot banen of woningen. Dit is een samensmelting van staat en technologie die de individuele vrijheid volledig wegvaagt.

Vraag 5: Is Europa een ‘David tegen Goliath’?
De vraagsteller vroeg zich af of Europa wel opgewassen is tegen de macht van de VS en China.

Europa is geen kleine speler; qua welvaart en economie zijn we vergelijkbaar met de VS en China. Op veel gebieden (zorg, onderwijs, levensverwachting) scoort Europa zelfs beter. Het probleem is dat we de afgelopen jaren verkeerde keuzes hebben gemaakt door ons te afhankelijk te maken van Amerikaanse clouddiensten en AI. We moeten ons strategisch denken herontdekken en bereid zijn om op korte termijn wat gemak of welvaart in te leveren voor onafhankelijkheid op de lange termijn.

Vraag 6: De invloed van populisme op Europees beleid
Er werd gevraagd of het haperen van de liberale democratie en de opkomst van het populisme de macht van Big Tech vergroot.

Ja, de spreker ziet dat de verdeeldheid in Europa de slagkracht verzwakt. Sommige politieke stromingen tonen enthousiasme voor de Amerikaanse koers (zoals de veiligheidsstrategie van Trump). Als Europa niet eensgezind achter de eigen democratische waarden staat en zich tegen elkaar laat uitspelen, wordt het onmogelijk om effectieve maatregelen tegen Big Tech te nemen.

Vraag 7: Wat is het ‘worst-case scenario’ van onze afhankelijkheid?
Wat gebeurt er als we de huidige negatieve trend doorzetten?

Een concreet risico is chantage. Als Europa een politiek standpunt inneemt dat de VS niet bevalt (bijvoorbeeld over Groenland of het Internationaal Strafhof), kunnen de VS ons afsluiten van essentiële clouddiensten. Het Internationaal Strafhof heeft hier al mee te maken gehad. Onze vitale infrastructuur en overheden kunnen dan simpelweg niet meer functioneren. Dit dwingt onze leiders tot een lauwe of onderdanige houding in de wereldpolitiek.

Vraag 8: Het gebruik van alternatieven zoals Signal en DuckDuckGo
Is het zinvol om als individu over te stappen op privacy vriendelijke diensten?

De spreker noemde dit sympathiek en verstandig voor de eigen geestelijke gezondheid, maar stelde dat het op grote schaal weinig verandert zolang de machtspositie van WhatsApp en Google onaangetast blijft. Vanwege het netwerkeffect (iedereen zit op WhatsApp) hebben alternatieven zoals Signal weinig kans. De spreker pleitte eerder voor het intrekken van de rechtspersoonlijkheid van bedrijven die Europese waarden stelselmatig ondermijnen; hen simpelweg de toegang tot de Europese markt ontzeggen.

Afsluiting

De sessie eindigde met een uitnodiging aan de spreker om de theoretische kaders eens los te laten voor een wandeling in de natuur rondom Tilburg, om zo het optimisme weer op te laden. De spreker benadrukte tot slot dat zij via haar onderzoeksgroep aan de Open Universiteit blijft werken aan oplossingen om de democratische rechtsstaat te borgen in dit digitale tijdperk.

Op 18 november hield Erik de Ridder (watergraaf en voorzitter van het algemeen- en dagelijks bestuur bij Waterschap De Dommel) een lezing over de noodzakelijke watertransitie.

Het klimaat verandert. Langere periodes van aanhoudende droogte, hevige piekbuien: ze laten zien dat onze omgeving hier nog niet op is voorbereid. Ook het watersysteem is kwetsbaar gebleken. Het weer wordt extremer, en tegelijkertijd neemt de druk op de ruimte toe en wordt er meer (grond)water verbruikt. Bovendien is ons water, ondanks alle inspanningen, nog steeds niet schoon genoeg. Daarnaast zijn er ook andere uitdagingen in de leefomgeving. Denk aan natuurherstel, de energie- en landbouwtransitie en de woningbouwopgave. Het watersysteem speelt een cruciale rol in ál deze uitdagingen.

In 2050 wil Waterschap De Dommel een leefomgeving die klaar is voor de toekomst en een watersysteem dat daarbij past. Dat laatste wil zeggen: een waterhuishouding die robuust, flexibel en in balans is met de natuur en de omgeving én zorgt voor een goede waterkwaliteit. De droge zomers van 2018, 2019 en 2020, én de wateroverlast in 2021, 2023 en 2024 tonen de urgentie aan en laten zien dat de omgang met water fundamenteel moét veranderen. Deze grote veranderopgave noemen wij de watertransitie.

Dit betekent dat het waterschap niet langer vooral water wil afvoeren, maar juist wil vasthouden. Niet schoon wil maken wat vervuild is, maar wil voorkomen dat water vervuild raakt. En niet langer de omgeving en het watersysteem beïnvloeden om functies mogelijk te maken, maar functies helpen aanpassen aan de veranderende omstandigheden in omgeving en watersysteem. Innovatie, circulariteit, transitieprocessen en samenwerking met partners bepaalt de komende jaren de agenda van het waterschap.

Prof. Dr. Rick van der Ploeg (Oxford, UvA) hield op 9 december een buitengewoon boeiende lezing over de toekomst van de landbouw in Europa en Nederland. Hij benadrukte dat de landbouwsector voor grote veranderingen staat door technologische ontwikkelingen, klimaatverandering, druk op water en stikstof, en grote geopolitieke verschuivingen.

Via deze link kunt u de pdf-versie van zijn PowerPoint-presentatie bekijken.

1. Economische positie van de landbouw
De landbouw vormt een relatief klein deel van de moderne economie: minder dan 0,9% van het nationale inkomen in Nederland en slechts ongeveer 2% van de werkgelegenheid. De sector wordt bovendien kleiner naarmate economieën zich ontwikkelen, terwijl de politieke invloed groot blijft, onder meer door krachtige lobbyorganisaties zoals de BBB.
In de Europese Unie ontvangen boeren steun per hectare, waardoor vooral grote bedrijven profiteren. Ongeveer een vijfde van de boeren ontvangt naar schatting rond de 80% van alle landbouwsubsidies, wat de concentratie van steun en de scheve machtsverhoudingen in het landbouwbeleid onderstreept.

2. Klimaat en milieu-impact
Wereldwijd draagt de landbouw substantieel bij aan de uitstoot van broeikasgassen: koeien alleen al stoten jaarlijks miljarden tonnen CO2-equivalent uit, vergelijkbaar met de emissies van meerdere (10) middelgrote landen samen. Methaan is daarbij veel krachtiger dan CO2 per ton, terwijl stikstofuitstoot leidt tot verzuring van bodems, aantasting van waterkwaliteit en verlies van biodiversiteit.
Voor elke graad temperatuurstijging daalt de potentiële voedselproductie gemiddeld met ongeveer 120 kilocalorieën per persoon per dag; drie graden opwarming komt neer op het verlies van een soort “ontbijt” voor iedereen. Modelstudies voor 2100 laten zien dat, zelfs mét aanpassing en inkomensgroei, de wereldwijde opbrengsten dalen met ongeveer 12% voor mais, 13,5% voor tarwe en 22% voor sojabonen.

3. Voedselkeuzes en klimaat
Voedselkeuzes hebben een directe impact op het klimaat. Noten hebben in sommige gevallen zelfs een netto negatieve CO2-voetafdruk, terwijl rundvlees met afstand de hoogste uitstoot per 100 gram eiwit kent. Kip is een aanzienlijk klimaatvriendelijkere optie dan rood vlees, en meer plantaardige eiwitten (bonen, peulvruchten) passen in een strategie om emissies te verlagen en de druk op landgebruik te verminderen.

4. Stikstof- en waterproblematiek
Overmatig gebruik van kunstmest en mest zorgt voor uitspoeling van nutriënten, verzuring van grondwater en eutrofiëring van rivieren en meren, met grote schade aan natuur en biodiversiteit. In Nederland is de landbouw bovendien zeer intensief, met weinig gewasrotatie en een hoge veedichtheid, wat bijdraagt aan de stikstofcrisis en tot stilstand gekomen vergunningverlening voor woningen en bedrijven.
Intensieve veehouderij, vooral van varkens en koeien, zet de grondwatervoorraden onder druk en leidt tot bodemdaling. Dat vraagt om beter waterbeheer en mogelijk andere teelten, zoals bessen, rijst, riet of olifantsgras, in combinatie met minder verharding zodat water beter kan infiltreren en ecosystemen zich kunnen herstellen.

5. Technologische revoluties in de landbouw
De spreker schetste vier grote technologische veranderingen. Big data, digitalisering en AI maken veel preciezere sturing van bemesting, irrigatie en gewasbescherming mogelijk. Tegelijkertijd ontstaat een nieuwe biologie-AI-synthese, met onder meer lab-gekweekt vlees en synthetische productieprocessen die traditionele veehouderij deels kunnen vervangen.
Daarnaast is er de financialisatie van de landbouw, waarbij eigendom en productie uit elkaar worden getrokken en nieuwe investeerders een grotere rol krijgen. Verticale integratie en corporatisering leiden tot grotere agribedrijven, met schaalvoordelen, maar ook risico op marktmacht en verdere verdringing van familiebedrijven.

6. Genetisch gemodificeerde gewassen (GM)
Genetisch gemodificeerde gewassen leveren in veel landen aanzienlijk hogere opbrengsten op, vooral bij mais, katoen en soja, sinds de grootschalige introductie in de jaren negentig. Wereldwijd gaat het bij GM-teelt vooral om twee eigenschappen: herbicideresistentie en insectresistentie, die leiden tot veranderingen in pesticidegebruik, grondbewerking en gewasrotatie.
In landen met een hoog aandeel GM-gewassen liggen de gemiddelde opbrengsten duidelijk hoger dan in landen die deze technologie niet of nauwelijks gebruiken. Europa is relatief terughoudend en loopt daardoor achter op de productiviteitswinst die elders wordt geboekt, terwijl de maatschappelijke discussie over voedselveiligheid, milieu en ethiek nog volop gaande is.

7. GM, biodiversiteit en vogels
De effecten van GM-gewassen op biodiversiteit zijn complex en verschillen per regio en soort. Onderzoek laat zien dat insectenetende vogels profiteren van GM-teelt, vooral in katoen, doordat er minder chemische insecticiden nodig zijn en er meer prooidieren beschikbaar blijven. Plantenetende vogels gaan echter licht achteruit, waardoor de totale vogelrijkdom slechts beperkt toeneemt, maar de soortensamenstelling wel verandert.
GM-gewassen beïnvloeden daarmee niet alleen opbrengsten en pesticidengebruik, maar ook de samenstelling van ecosystemen en de kwaliteit van ecosysteemdiensten zoals natuurlijke plaagbestrijding. Meer onderzoek is nodig naar langetermijneffecten op ontbossing, biodiversiteit en landgebruik, zeker als de adoptie wereldwijd verder toeneemt.

8. Biodiversiteit en ecosysteemdiensten
Biodiversiteit is niet alleen intrinsiek waardevol, maar ook een productieve factor in de landbouw. Studies naar migrerende vogels laten zien dat een daling van de vogelrijkdom met 10% kan leiden tot circa 1% lagere landbouwinkomsten en meer plaagdruk in bossen, wat de economische waarde van natuurlijke plaagbestrijding duidelijk maakt.
Voor landbouw lijkt vooral de totale hoeveelheid vogels belangrijk, terwijl in bosbouw juist het aantal soorten bepalend is voor de stabiliteit van ecosysteemdiensten. Nederland kent door intensieve monoculturen en hoge input van kunstmest en bestrijdingsmiddelen relatief weinig biodiversiteit, wat de veerkracht van het landbouwsysteem vermindert.

9. Stikstof- en watercrisis in Nederland
Nederland kampt met een combinatie van stikstof- en waterproblemen. Overmatige bemesting en veehouderij leiden tot overschrijding van milieunormen, waardoor vergunningen voor bouw en economische ontwikkeling vastlopen. Tegelijk wordt de bodem door intensief gebruik en dalende grondwaterstanden uitgeput, met risico’s voor toekomstige productiviteit.
De spreker benadrukte de noodzaak van een integrale aanpak: minder emissies, omschakeling naar teelten die beter bij de bodem en het klimaat passen, en herstel van natuurlijke waterbuffers. Rewilding, het terugbrengen van natuur en natte gebieden, kan daarin een belangrijke rol spelen, zowel voor biodiversiteit als voor recreatie en toerisme.

10. Toekomstvisie en structurele veranderingen
De landbouw staat volgens de lezing aan de vooravond van een fundamentele transformatie. Schaalvergroting, financialisatie en corporatisering zorgen voor grotere, kapitaalintensieve bedrijven, terwijl tegelijkertijd minder land nodig is om dezelfde hoeveelheid voedsel te produceren. De vrijgekomen ruimte kan worden benut voor woningbouw, natuur, biodiversiteit en recreatie, mits daar helder ruimtelijk beleid tegenover staat.
Drie typen landbouw tekenen zich af:

  • grootschalige, technologie-gedreven agribusiness;
  • niche, vaak biologische productie voor toerisme en specifieke markten;
  • extensieve begrazing op marginale gronden, gecombineerd met natuurbeheer. Daartussen ontstaat een spectrum van laag-input, regeneratieve en biologische bedrijven die inzetten op minder kunstmest, minder pesticiden en minimale bodembewerking.

11. Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) na 2027
In de Europese context speelt de hervorming van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid een cruciale rol. Het GLB houdt een omvangrijk, afgeschermd budget voor inkomenssteun in stand van ten minste 300 miljard euro, aangevuld met nationale en regionale fondsen voor plattelandsontwikkeling en innovatie. Tegelijk wordt de structuur vereenvoudigd en worden de twee pijlers samengevoegd om het systeem overzichtelijker te maken.
De focus verschuift van strikte, uniforme voorwaarden naar het belonen van positieve milieuprestaties. Boeren krijgen gerichter en eerlijker steun voor maatregelen die biodiversiteit, klimaat en dierenwelzijn ten goede komen, met onder meer een transitiepremie tot ongeveer 200.000 euro voor bedrijven die omschakelen naar duurzamere modellen. Jonge boeren en innovatie op het platteland worden nadrukkelijker ondersteund om vergrijzing en leegloop tegen te gaan.

12.Lange-termijntrends en geopolitieke context
De lezing plaatste de landbouw ook in een bredere geopolitieke en maatschappelijke context. In Europa krimpt de bevolking, terwijl die in delen van Afrika sterk groeit, wat vragen oproept over voedselzekerheid, handel en zelfvoorziening. Tegelijk nemen protectionistische tendensen toe, onder meer in de Verenigde Staten, en staat de Europese landbouwexport onder druk door veranderende handelsverdragen en politieke spanningen.
Er is een groeiende spanning tussen het beschermen van de eigen landbouw, het openhouden van markten en het zoeken naar eerlijke partnerschappen met landen in Afrika en andere regio’s. De landbouw is bovendien sterk afhankelijk van migrantenarbeid, terwijl migratie politiek juist onder druk staat, wat de kwetsbaarheid van het huidige model blootlegt.

13. Beleidsaanbevelingen en prijsprikkels
De spreker pleitte voor het doorberekenen van de volledige maatschappelijke kosten van CO2, methaan, stikstof en watergebruik in de prijs van landbouwproducten. De opbrengsten van dergelijke heffingen kunnen worden teruggegeven aan burgers en boeren en ingezet worden voor gerichte subsidies voor groene innovatie, waardoor het beleid politiek beter draagvlak kan krijgen.
Subsidies zouden minder gericht moeten zijn op volumesteun en meer op ecosysteemdiensten, jonge boeren en duurzame bedrijfsmodellen. Bovendien kunnen opbrengsten uit emissiehandelssystemen en een mogelijke grondwaardebelasting bij bestemmingswijziging (bijvoorbeeld van landbouw naar woningbouw) worden gebruikt om rewilding, natuurontwikkeling en recreatie mogelijk te maken.

14. Nederlandse context en comparatieve voordelen
Voor Nederland ligt de toekomst niet in maximale bulkproductie, maar in kennisintensieve, duurzame landbouw met hoge toegevoegde waarde. Dat betekent meer nadruk op veredeling, zaden, technologie en handel in kennis, waarin instellingen zoals Wageningen Universiteit een internationale koppositie innemen.
Het huidige model van zeer intensieve productie met hoge emissies en lage toegevoegde waarde per eenheid vervuiling is op termijn niet houdbaar. Een verschuiving naar hoogwaardige, klimaatslimme producten, gecombineerd met strenger maar slimmer milieubeleid, kan ervoor zorgen dat landbouw, natuur en ruimtelijke ontwikkeling beter in balans komen.

15. Conclusie
De landbouw in Nederland en Europa staat voor een fundamentele transformatie door technologie, klimaatverandering, stikstof- en waterproblemen en geopolitieke spanningen. De lezing van Rick van der Ploeg schetst een toekomst waarin boeren opschalen, vernieuwen en verduurzamen, terwijl beleidsmakers zorgen voor eerlijke prijzen, gerichte steun en ruimte voor natuur en nieuwe vormen van landgebruik. Nederland zal daarbij moeten kiezen voor een kennisintensief, duurzaam model met hoge toegevoegde waarde in plaats van voortzetting van het huidige, sterk vervuilende massaproductiemodel.

Tijdens de discussie na de lezing werden verschillende belangrijke vragen gesteld die de complexiteit van de landbouwproblematiek en de uitdagingen voor de toekomst belichten.

  • Democratie versus langetermijnplanning
    Een van de eerste vragen betrof de paradox tussen democratische besluitvorming en langetermijnplanning. De spreker wees op het fundamentele probleem dat democratieën de neiging hebben populistisch en kortzichtig te worden, terwijl landen zoals China juist 30-40 jaar vooruitkijken. Hij illustreerde dit met voorbeelden van Chinese technologische vooruitgang,
    waarbij Europa en Amerika volgens hem een race aan het verliezen zijn. Dit heeft directe gevolgen voor landbouwbeleid, waar boeren moeten kunnen anticiperen op schaalvergroting, AI-innovaties en de nieuwe biorevolutie.
  • Visserij en oceaanproblematiek
    Een uitgebreide vraag over de visserij leidde tot een analyse van de drievoudige crisis in de oceanen. Ten eerste is er het probleem van overbevissing, waarbij vis te vroeg uit de zee wordt gehaald voordat deze volwassen is. Ten tweede zorgen plastics voor enorme problemen voor zeedieren. Ten derde leidt verzuring van oceanen, zoals zichtbaar bij de koraalriffen in Queensland, tot het verdwijnen van leefgebieden voor vissen.
    Daarnaast verandert het migratiegedrag van vissen door klimaatverandering, wat sommige soorten ten goede komt en andere schaadt. Een bijzonder zorgwekkend punt is de industriële exploitatie van de zeebodem voor kritische mineralen ten behoeve van de groene transitie, wat de spreker omschreef als “verkrachting van de zeebodem” zonder adequate internationale verdragen.
  • Vertical farming en genetische modificatie
    Kritische kanttekeningen werden geplaatst bij vertical farming en genetische modificatie. Bij vertical farming worden de beloofde productievolumes nog niet gehaald, en vooral de voedingswaarde per kilo blijft achter. Voor genetische modificatie werd opgemerkt dat het gebruik van bestrijdingsmiddelen bij GM-gewassen in de loop der jaren is verzesvoudigd door toenemende resistentie.De spreker erkende deze problemen maar toonde zich techno-optimistisch. Hij vergeleek de situatie met zonnepanelen en windmolens, die aanvankelijk ook duur waren maar door opschaling en technologische ontwikkeling drastisch in prijs zijn gedaald. Voor vertical farming ontbreekt nog de benodigde financialisatie – het vereist samenwerking van meerdere boeren om de investeringen rendabel te maken.
  • Nederlandse landbouw en comparatieve voordelen
    Een cruciale vraag betrof de toekomst van de Nederlandse landbouw in het licht van biodiversiteits- en klimaateisen. De spreker paste het concept van comparatieve voordelen van David Ricardo toe op de Nederlandse situatie. Hij stelde kritische vragen bij de massaproductie van “watertomaten” in verwarmde kassen op gesubsidieerd gas.
    Nederland zou zich volgens hem moeten richten op zijn werkelijke sterke punten: kennis, AI, biologie en zaadtechnologie. Wageningen Universiteit werd genoemd als wereldtop in landbouwwetenschap. In plaats van massaproductie zou Nederland de toegevoegde waarde moeten leveren door zaden te exporteren, terwijl landen met meer zon en ruimte zoals Marokko de daadwerkelijke productie voor hun rekening nemen.
    Hij pleitte voor een herziening van het subsidiesysteem, waarbij vervuilende sectoren nu juist worden beloond in plaats van bestraft – een situatie die hij vergeleek met “iemand belonen voor stelen in plaats van voor eerlijkheid”.
  • Landscape farming en biodiversiteit
    Een vraag over landscape farming in Midden-Brabant bracht het gesprek op de ontwikkeling van een groot nationaal park dat landbouw combineert met biodiversiteit en landschapsbeheer. De spreker prees het Britse voorbeeld van Paul Klemperer, die een veilingsysteem heeft ontwikkeld voor biodiversiteitssubsidies om geld optimaal en efficiënt te gebruiken. Dit systeem wordt nu ook in Canada toegepast en zou volgens hem ook in Nederland moeten worden geïntroduceerd
  • Energievraagstuk
    De spreker benadrukte dat Nederland eerst moet stoppen met steenkool, maar dat dit lang heeft geduurd door juridische verdragen die energiebedrijven het recht geven om te vervuilen. Nederland moet uit deze verdragen stappen, zoals Zwitserland al heeft gedaan.
    Voor de energiemix ziet hij zonne- en windenergie als basis, maar erkent het intermittentieprobleem. Als back-up overweegt hij kleine, flexibele kernreactoren, ondanks zijn voorkeur voor fusie-energie die nog niet beschikbaar is. Grote batterijen voor energieopslag hebben het nadeel dat ze afhankelijk zijn van kritische materialen die veel milieuschade veroorzaken bij winning.
  • Regelgeving en ruimtelijke ordening
    De laatste vraag betrof de trage procedures in Nederland, niet alleen voor landbouw maar ook voor woningbouw. De spreker prees het Britse voorbeeld van premier Keir Starmer, die procedures drastisch heeft verkort. Hij stelde voor om naast snellere procedures ook een “Henry George Tax” in te voeren, waarbij waardevermeerdering van landbouwgrond door herbestemming grotendeels wordt wegbelast, omdat eigenaren hier niets voor hebben gedaan.

Synthese van de discussie
De vragen en antwoorden toonden de complexiteit van de landbouwproblematiek, waarbij technologische innovatie, economische principes, politieke besluitvorming en internationale samenwerking allemaal een rol spelen. De spreker combineerde wetenschappelijke inzichten met praktische beleidsvoorstellen, waarbij hij consequent pleitte voor een verschuiving van massaproductie naar toegevoegde waarde, van subsidies voor vervuiling naar beloning van duurzaamheid, en van kortzichtige naar langetermijnplanning.

De discussie maakte duidelijk dat de transitie naar duurzame landbouw niet alleen een technisch vraagstuk is, maar een fundamentele herziening vereist van economische prikkels, internationale handelsverhoudingen en democratische besluitvorming.

‘Vorm de Hersenen en Vorm de Wereld’

4 november heeft Prof. dr. Margriet Sitskoorn een fascinerende lezing gegeven voor de Culturele Kring Adriaen Poirters te Oisterwijk. Het centrale thema van de lezing was de ontwikkeling en het belang van de prefrontale cortex in de context van persoonlijke ontwikkeling en succes in de moderne VUCA-wereld (Volatility, Uncertainty, Complexity, and Ambiguity).

De lezing bood een diepgaand inzicht in hoe de hersenen ons gedrag en welzijn beïnvloeden. Centraal stond het begrijpen van de samenhang tussen het beloning- en genotsysteem en het pijnsysteem, en hoe deze systemen van invloed zijn op ons ervaren van geluk

Prof. Sitskoorn legde uit dat ons beloning- en genotsysteem geactiveerd wordt door zaken zoals eten, drinken, seks, aandacht en cadeaus. Wanneer dit systeem geprikkeld wordt, ervaren we een gevoel van plezier en voldoening. Aan de andere kant, het pijnsysteem wordt geactiveerd door fysieke pijn zoals een klap, maar ook door mentale pijn zoals buitensluiting en discriminatie. Verrassend genoeg worden zowel fysiek als mentaal pijn via hetzelfde netwerk in de hersenen verwerkt. Deze systemen verklaren waarom we vaak gedragingen vertonen die op de korte termijn fijn zijn, maar op de lange termijn problemen kunnen veroorzaken.

Prof. Sitskoorn lichtte toe dat onze hersenen voortdurend in ontwikkeling zijn door neuroplasticiteit. Dit betekent dat niet alleen onze hersenen ons gedrag bepalen, maar dat ons gedrag ook invloed heeft op de structuur en functie van onze hersenen. Dit biedt ons de kans om bewust onze prefrontale cortex te versterken, welke essentieel is voor executieve vaardigheden zoals beslissingsvaardigheid, impulsbeheersing en planning.

Het EFFECT-Model

Om de prefrontale cortex optimaal te onderhouden en ontwikkelen, introduceerde Prof. Sitskoorn het EFFECT-model, een acroniem dat staat voor Enriched Environment, Fixed Sleeping Pattern, Flow Focus, Exercise, Connect Today with Tomorrow, en Time.

  1. Enriched Environment (Verrijkte Omgeving): Een rijk aanbod van nieuwe en diverse ervaringen kan de neuroplasticiteit bevorderen. Sitskoorn moedigde aan om buiten de comfortzone te treden en open te staan voor nieuwe dingen om nieuwe hersenverbindingen te stimuleren.
  1. Fixed Sleeping Pattern (Vast Slaappatroon): Adequate rust is cruciaal voor hersenfunctie en herstel. Ze benadrukte dat volwassen individuen tussen de 7 tot 9 uur slaap per nacht nodig hebben om optimaal te functioneren.
  1. Flow Focus Training (Flow Focus Training): De kunst om je aandacht onder controle te houden in een wereld vol afleidingen. Er werd uitgelegd dat multitasken vaak wordt overschat en dat het beter is om je te concentreren op één taak tegelijk om effectiviteit te behouden.
  1. Exercise (Beweging): Regelmatige fysieke activiteit ondersteunt niet alleen fysieke gezondheid maar ook cognitieve functies. Sitskoorn beschreef verschillende vormen van oefeningen die zowel fysieke als mentale uitdagingen bieden, zoals dans of vechtsporten.
  1. Connect Today with Tomorrow (Verbind Vandaag met Morgen): Het vermogen om korte termijnacties in verbinding te zien met de lange termijngevolgen is essentieel. Dit onderdeel is complex vanwege de evolutionaire ontwikkeling van de hersenen die sterk beïnvloed wordt door directe beloningen. Het bewust plannen en verbinden van huidige acties met toekomstige doelen helpt bij langetermijndenken en succesvol gedrag.
  1. Time (Tijd): Toewijding aan het ontwikkelen en bijhouden van deze vaardigheden kost tijd en discipline. Het begrijpen van de waarde van tijdsinvestering in persoonlijke ontwikkeling is hierbij van belang.

Vragenronde

Diverse vragen kwamen aan bod.

  1. Een vraag ging over het verband tussen intelligentie en karakter. Een vraag betrof hoe karakter van invloed is op het vermogen om deze vaardigheden te ontwikkelen. Sitskoorn legde uit dat zowel genetische factoren als omgevingsfactoren betrokken zijn bij karaktervorming. Het idee dat karakter vast zou staan is een misvatting; er is ruimte voor verandering en ontwikkeling.
  1. Verder werd er gevraagd naar de praktische toepassing en haalbaarheid voor gezinnen die in armoede leven. De professor benadrukte dat het Zero Poverty Lab zich bezighoudt met het creëren van kansen voor deze gezinnen door multidisciplinaire benaderingen zoals hervormingen in wetgeving en sociale structuren.
  1. Vele deelnemers toonden interesse in hoe kinderen gestimuleerd kunnen worden om hun prefrontale cortex te ontwikkelen, waarop Prof. Sitskoorn benadrukte dat naast uitdagende en nieuwe ervaringen, een ondersteunende en verrijkte omgeving essentieel is.
  1. Een andere vraag richtte zich op de rol van cultuur en creativiteit. Muziek en kunst kunnen netwerken in de hersenen stimuleren die bijdragen aan probleemoplossend vermogen en empathie.

De lezing sloot af met een oproep om actief te werken aan het vormen van de eigen prefrontale hersenschors, onderstreepte het belang van persoonlijke ontwikkeling in het kader van neuroplasticiteit en vormde een inspiratie om actief bezig te zijn met het verbeteren van zowel het persoonlijke als het maatschappelijke welzijn.
Het EFFECT-model biedt praktische tools om onze hersenen niet alleen gezond te houden, maar ook optimaal te laten functioneren in onze complexe huidige wereld.

Op deze boeiende avond gaf Erik-Jan Broers, universitair docent aan de Tilburgse Universiteit, een lezing over de geschiedenis van criminele benden in de 17e en 18e eeuw. De focus lag op de opkomst en ondergang van deze benden, evenals de juridische mechanismen die destijds werden gebruikt om misdaad aan te pakken.

Historische Context
Broers begon met het schetsen van de sociaal-economische omstandigheden in de middeleeuwen, waarin armoede en hongersnood veel mensen op drift deden raken. Dit leidde tot een toename van rondtrekkende bedelaars of vagebonden, die op zoek waren naar betere leefomstandigheden.

Criminele Benden
In de 17e en 18e eeuw ontstonden vele bendes in Brabant, zoals de militaire bendes, zigeunerbendes, joodse samenwerkingsverbonden en familiebendes. Vooral de bende van Jan Dirks, ook bekend als ‘Engelen Jantje’, was berucht vanwege hun betrokkenheid bij brandstichtingen en afpersingen waarbij zij dreigden “de rode haan over het dak te laten vliegen.”

Juridisch Systeem
Officieren van justitie waren geen juristen en rechtszaken werden vaak behandeld door lokale notabelen met weinig juridische kennis. Het systeem was vooral gericht op snelle en praktische oplossingen, vaak door het gebruik van marteling voor het verkrijgen van bekentenissen.

Strafuitvoering
De straffen voor bendeleden waren vaak hard. Verbanning en brandmerking waren frequente straffen, terwijl zware misdadigers soms de doodstraf kregen. De symbolische vuurdood werd gebruikt als afschrikmiddel, waarbij veroordeelden meestal werden gewurgd voordat hun lichamen werden verbrand.

Toepassing van Straffen
Een van de besproken casussen was de zaak rond Anne-Kathrien en de bende van Jan Dirks, waar meerdere bendeleden werden veroordeeld voor betrokkenheid bij brandstichting en andere misdaden. Deze casus illustreert de complexe dynamiek van het rechtssysteem en de soms brute uitvoering van straffen.

 

Vragen & Antwoorden

  • Waarom gingen zoveel bendes naar Brabant?
    Broers legde uit dat Brabant centraal gelegen was met veel natuurgebieden, ideaal voor benden om te schuilen.
  • Hoe werden mensen geïdentificeerd en berecht zonder moderne middelen?
    Identificatie was gebaseerd op uiterlijke kenmerken en bekentenissen, vaak afgedwongen door intimidatie of marteling.
  • Hoe functioneerde de rechtsmacht in verschillende jurisdicties?
    Rechtsmacht was beperkt tot lokale grenzen zonder uitleveringsverdragen, waardoor criminelen vaak naar naburige regio’s konden vluchten om vervolging te ontlopen.
  • Waarom werd er een verschil gemaakt tussen het ophangen van mannen en het wurgen van vrouwen?
    Het maatschappelijke decorum en fatsoensnormen van die tijd maakten dat vrouwen op een andere, meer ‘beschaafde’ manier ter dood werden gebracht.

De lezing van Erik-Jan Broers bood een interessante en gedetailleerde inkijk in de wereld van criminele benden in het verleden, het functioneren van het toenmalige rechtssysteem en de unieke uitdagingen die het bestrijden van misdaad met zich meebracht.

Dinsdagavond 21 oktober werden we getrakteerd op een werkelijk indrukwekkend optreden van deelnemers en tevens finalisten van het Prinses Christina Concours. De Culturele Kring Adriaen Poirters opende de deur voor jong muzikaal talent, en het resultaat was een avond die getuigde van pure passie en vakmanschap.

De avond werd gepresenteerd door Kirsten Jeurissen en Tinka Regter, de bevlogen drijvende krachten achter het concours. Hun enthousiasme werkte aanstekelijk en al snel werden we meegezogen in een wereld van melodieën, harmonieën en verbeelding. Het programma was rijk en gevarieerd, gevuld met een zorgvuldig samengestelde selectie van klassieke en recent gecomponeerde werken.

Een hoogtepunt was zonder twijfel de hedendaagse schilderijententoonstelling. Twee prijswinnende componisten van het Prinses Christina Compositie Concours lieten zich bij hun nieuw gecomponeerde werk inspireren door de intrigerende schilderijen van het kunstenaarsechtpaar Willeke van Tijn en Gerbrand Volger. Vier schilderijen uit de collectie ‘Religie voor ongelovigen’ waren op het podium tentoongesteld en de jonge componisten gaven een toelichting op hun interpretatie van de werken.
Componist en pianist Elewout Acke schreef onder andere de compositie ‘Whack or Blite’, geïnspireerd door het kunstwerk ‘Franciscus voert de vogels’. Geïnspireerd door het religieuze thema wist Elewout met zijn compositie en uitvoering, waarbij de zwarte en witte toetsen elkaar thematisch afwisselden, te ontroeren. Een eerbetoon aan het dualisme tussen goed en kwaad.
Daarnaast betoverde Barry Krom, eveneens componist en pianist, ons met zijn werk ‘Heaven and Earth’. Een werk dat prachtig de dualiteit van het menselijk bestaan met een artistieke lichtheid wist te vangen. Zijn pianospel vulde de ruimte met een warme diepte, die ons herinnerde aan de verbinding tussen aardse realiteit en hemelse aspiraties.

Marjolein Acke en Elewout Acke, zus en broer, en al vanaf heel jonge leeftijd deelnemers van de verschillende concoursen die het Prinses Christina Concours biedt, brachten als duo drie wonderschone liederen van Richard Strauss ten gehore. Het was een genot om zowel hun individuele talent als hun samenspel tot volle bloei te zien komen. Elk lied droeg ons verder mee in een muzikale reis die de lagen van menselijke emotie blootlegde.

Wat de avond onvergetelijk maakte, was de unieke verbinding tussen diverse kunstdisciplines, waaronder muziek, dicht- en schilderkunst.

Na de pauze werd, met de charmante mini-voorstelling ‘Ode aan de Insecten’, op verrassende wijze het thema biodiversiteit en klassieke muziek naadloos met elkaar verweven. Het door Marjolein en Elewout zelfverzonnen concept en de reeks bijbehorende liederen spraken tot de verbeelding.

Barry sloot de avond af met zijn eigen werk ‘Shadows of Harmony’, een meesterlijke compositie die zijn finaleplaats meer dan rechtvaardigde. Het werk belichaamde harmonie in zijn meest complexe vormen, en weerklonk met heldere trefzekerheid door de zaal.

Het Prinses Christina Concours toont keer op keer hoe waardevol het is om jonge muzikanten te stimuleren en ondersteunen. De Culturele Kring Adriaen Poirters heeft met deze avond bewezen dat zij niet alleen een platform bieden, maar ook een cruciale rol spelen in de muzikale gemeenschap. We verwierven niet alleen nieuwe muzikale herinneringen; we verlieten de zaal met een hernieuwd geloof in een toekomst voor klassieke muziek.